Stel, u heeft 25 euro betaald voor een kaartje voor een popconcert. Nu komt er iemand langs die bereid is om 100 euro voor uw kaartje te betalen. Na enige overweging gaat u akkoord. Een mooie transactie. U wordt er beter van, anders had u het immers niet gedaan. En ook de koper wordt er beter van, om dezelfde reden. Economen likken er hun vingers bij af. Deze transactie maakt beide partijen beter af. Niemand wordt er slechter van.

Niemand? Nou ja, behalve Arda Gerkens dan, Tweede-Kamerlid van de SP. Volgens haar “loopt het de spuigaten uit en worden duizenden muziekliefhebbers benadeeld”. Hebben we dat geluid niet eerder gehoord? Jawel, bij Kamervoorzitter Verbeet bijvoorbeeld, en recent nog bij het WK Schaatsen.

Nu beweert Gerkens dat de websites die de ‘woekerprijzen’ hanteren, zelf de schaarste creëren. In theorie is dat mogelijk. Stel, iemand koopt alle kaartjes van een concert op. Dan zou het winstmaximerend kunnen zijn om die vervolgens door te verkopen tegen een prijs die zo hoog is dat je niet al je kaartjes verkoopt. Immers: een monopolist kan er belang bij hebben om het aanbod te beperken. Maar het lijkt mij dat geen enkele kaartjeswebsite zo veel marktmacht heeft. Gerkens heeft pas een punt wanneer blijkt dat er grote lege plekken zijn bij concerten waarvan op internet de kaartjes tegen woekerprijzen worden verkocht.

De publiekscapaciteit van concertzalen is beperkt. Met dat gegeven kun je maar het beste de kaartjes verkopen aan diegene die er het meeste voor over heeft. Gedupeerde fans zijn er altijd: zij die er niet in kunnen. Maar dat aantal wordt bepaald door de zaalcapaciteit, niet door de manier waarop de kaartjes worden verkocht.