Sport


Ik heb een collega die na jaren in de VS weer in Nederland werkt en die maar over één ding klaagt: tijdens de lunch ouwehoeren die Nederlandse economen constant over voetbal. En het klopt, hoor. Vorige week op congres in Zweden (vandaar het intermezzo hier, excuses) nam ik plaats aan de Nederlandse tafel en hup, daar werd het resultaat van Ajax alweer besproken. Gelukkig was het niveau van de conversatie hoog en later op de avond hoorde ik nog een fraai staaltje analyse.

Het was niet helemaal spontaan, want ik zat te praten met Loek Groot die er een heel boek over geschreven heeft, maar toch. Zijn stelling is dat de rol van het geluk in het voetbal (scheidsrechterlijke dwaling, balletje net onder de keeper door etc.) essentieel is in het handhaven van een precair evenwicht. Door geluk, en het doorgaans kleine verschil in goals, kan een slechtere ploeg toch winnen.

En dat is belangrijk, want als de beste ploeg altijd wint komt er een dynamiek op gang die de rijke ploegen nog rijker maakt, waardoor ze nog beter worden, tot er niets meer aan is. Bij sporten met cameratoezicht of een groot verschil in score dreigt dit gevaar en moeten allerlei lapmiddelen worden ingezet om de boel weer recht te trekken. Verrassende conclusie: laat de scheidsrechters maar lekker dwalen en maak de goals vooral niet groter, want anders houden we geen competitie meer over.

Later die week besprak ik deze theorie met een gekende expert op het gebied van voetbal (mijn vader, die sinds zijn pensioen wel erg veel eredivisie live kijkt) die het probleem onmiddellijk onderkende. Hij stelde voor om periodetitels in de eredivisie te introduceren. Op die manier valt er met wat geluk nog meer te halen.

[Eerder over Loek Groot. Overigens bleken zijn ideeën onafhankelijk te zijn ontwikkeld in de Donald Duck.]

Thijs had bijna gelijk. Nederland won van Uruguay, en als gevolg daarvan zijn de kansen dat ons land wereldkampioen wordt gestegen naar 39% volgens Betfair, een marktplaats voor weddenschappen. Dat is net iets minder dan de 41% die Thijs berekende op basis van Bayesian updating voor de wedstrijd. Blijkbaar zijn de handelaren op basis van het getoonde spel gisteravond toch net iets minder positief over de kansen van Nederland dan ze zouden zijn geweest puur op basis van alleen de informatie dat Nederland heeft gewonnen.

Met wat aanvullende Bayesiaanse analyse kunnen we meteen uitrekenen voor wie we vanavond moeten zijn, bij die tweede halve finale. Betfair geeft voor Duitsland een kans van 47.6% dat ze vanavond winnen, en een kans van 29.4% dat ze wereldkampioen worden. Dat impliceert dat een finale Duitsland-Nederland met kans 61.8% wordt gewonnen door Duitsland.

De kans dat Spanje vanavond wint staat op 52.9%, de kans dat ze wereldkampioen worden op 32.3%. Dat betekent dat een finale Spanje-Nederland met kans 61.1% wordt gewonnen door Spanje.

Oranje maakt dus een betere kans tegen Spanje dan tegen Duitsland.

De kampioensvlag mag dan wel klaarliggen voor het Nederlands elftal, er doen nog drie andere landen mee met hoge verwachtingen van het toernooi. Wie wint aanstaande zondag de cup? Daarvoor kunnen we, aldus sporteconoom Ruud Koning, het beste kijken naar de odds bij de verschillende bookmakers. De informatie in die (zeg maar) prijzen weerspiegelt de inzichten van kenners wereldwijd, die bereid zijn geld in te zetten op hun voorspelling.

Corrigeren we voor de winstmarge van de bookmaker, dan is de kans dat Nederland wereldkampioen wordt bij Betfair en Oddschecker op dit moment beiden 30%. Spanje doet 32%, Duitsland tussen de 30% en 32%. De kans dat Nederland in de finale speelt is wel groot: zo’n 74%, volgens Oddschecker.

Met de kans op het kampioenschap en de kans dat we de finale spelen kunnen we ook uitrekenen wat de kans is dat we de cup winnen, gegeven dat Oranje dinsdag Uruguay verslaat (dit is een toepassing van het theorema van Bayes). Als we langs Uruguay komen, neemt de kans dat we wereldkampioen worden toe tot 41%.

Blijft u dus vooral nog even rustig.

In economenblad ESB staat vandaag een bijzonder intrigerend artikel van Loek Groot en Michel van de Velden over het voorspellen van voetbaluitslagen en, meer concreet, het invullen van de WK-po0l. De auteurs beginnen met wat eenvoudige tips (voorbeeld: als je punten krijgt voor elk goed voorspelde aantal doelpunten dat een team maakt vul dan altijd een 0 in, wat dat is nu eenmaal de meest voorkomende score). Vervolgens geven de auteurs op basis van Poisson parameters en Elo- en Voros-ratings een schatting van winkansen en meest waarschijnlijke uitslagen.

Toch heb ik mijn twijfels of het verstandig is om op basis hiervan je WK-pool in te vullen. De impliciete suggestie (zeker in het artikel op Z24) lijkt dat je de po0l zodanig moet invullen dat je je verwachte score maximaliseert door steeds de meest waarschijnlijke antwoorden te geven (zie bijvoorbeeld ook hier). En volgens mij is dat niet verstandig.

Natuurlijk, wie betaald wordt op basis van de score die hij haalt, moet de meest waarschijnlijke uitkomsten invullen. Maar de meeste pools werken zo niet. Alleen degene met de hoogste score krijgt een prijs. En daarom kan het verstandig zijn om te speculeren door juist niet de meest waarschijnlijke scores in te vullen. Wie op safe speelt zal nooit een uitschieter zijn. En wie geen uitschieter is, zal nooit de pool winnen. Het maximaliseren van de kans op winst is heel iets anders dan het maximaliseren van je verwachte score.

Een eenvoudig voorbeeld. Stel Brazilie heeft 80% om van Ivoorkust te winnen, andersom is de kans 20%. U doet mee aan een pool met 10 deelnemers, waarvan de andere 9 allemaal Brazilie tippen. Dat land heeft immers de grootste kans om te winnen. Wat doet u? Als u ook Brazilie tipt, heeft iedereen dezelfde voorspelling, zal de winnaar willekeurig worden getrokken, en heeft u dus 10% kans de pool te winnen. Maar als u Ivoorkust tipt, dan is er slechts een kans van 20% dat u gelijk heeft, maar als u gelijk heeft, wint u ook zeker de pool. Ergo: de kans dat u de pool wint is dan 20%, en dat is meer dan wanneer u het favoriete Brazilie tipt.

Misschien dat ik toch maar ga inzetten op een finale Japan – Honduras.

Bij economische productie komen mensen, machines en kennis bij elkaar en resulteert een product. Om wat grip te krijgen op dit proces gebruiken economen vaak een productiefunctie, zeg Y=AF(K,L). Productie Y komt dan voort uit kapitaal K en arbeid L en de efficiëntie van het proces wordt bepaald door de term A, die vaak de totale factorproductiviteit (TFP) wordt genoemd. Uit de eigenschappen van de functie F kun je veel nuttige inzichten en modellen afleiden.

Maar dan die A, de TFP. Als je die nou eens zou kunnen verhogen, dan schiet het nog eens op met de groei. Op basis van die gedachte ontstond in de jaren ’80 de endogene groeitheorie. Die A, zo stelden de aanhangers, stond voor ideeën en met nieuwe ideeën kunnen oude machines en mensen efficiënter werken. Maar zit de innovatie niet vaak juist in nieuwe machines, in plaats van ideeën? Toen ik nog groeitheorie doceerde, kende ik maar één goed voorbeeld voor een rechtstreekse TFP-verhoging: nieuwe software voor de computer (meestal).

Groot was dus mijn blijdschap toen ik gisteravond een gaaf nieuw voorbeeld ontdekte. Tijdens de teamsprint vrije stijl (gewonnen door de Noren, gefeliciteerd) vertelde de commentator dat deze manier van langlaufen nog niet zo oud is. In het traditionele langlaufen beweegt men de skis langs elkaar door een spoor. In de jaren ’80 (alweer) ontdekte de Fin Pauli Siitonen dat je veel sneller kunt door met de skis een schaatbeweging te maken. Sindsdien kent het langlaufen wedstrijden in de “vrije stijl”, die een stuk sneller verlopen worden. Hebt u dat? Zelfde mensen, zelfde skis, nieuw idee en dus sneller vervoer. Dat is winst in de afdeling TFP.

Aan de vooravond van de Olympische winterspelen een mooi verhaal over transparentie, kartels en, eh, kunstschaatsen. De strekking: vroeger waren juryleden nogal eens geneigd om hoge cijfers te geven aan landen die aan hun schaatsers ook hoge cijfers geven. In een poging dat te voorkomen zijn de regels veranderd en wordt niet meer bekend gemaakt wie welke cijfers heeft gegeven. Het gevolg: het is allemaal alleen nog maar erger geworden omdat ook voor het publiek niet meer te controleren valt wie de zaak zit te flessen.

Naarmate de Olympische Spelen vorderen, wordt steeds duidelijker dat de Nederlandse vrouwen het veel beter doen dan de Nederlandse mannen. Van de 13 medailles gingen er slechts 2 naar mannen, 10 naar vrouwen en 1 naar een gemengd team. Hoe dat komt? Atletiekcoach Kraaijenhof komt met de volgende verklaring:

Volgens Kraaijenhof is er één aspect dat zeer nadrukkelijk in het voordeel van de vrouwen spreekt. ,,Ze zijn doorgaans gemotiveerder en vasthoudender. Ze bijten door. Ze gaan, zoals dat heet, tot het gaatje. Als ze zich een doel hebben gesteld, dan gaan ze er niet voor honderd maar voor honderdenéén procent voor.’’

Natuurlijk is dat onzin. Nou ja, niet noodzakelijk dat vrouwen tot het gaatje gaan, maar wel dat dat zou leiden tot meer medailles voor de Nederlandse dames. Immers: Nederlandse vrouwen moeten concurreren met andere vrouwen, die net zo goed tot het gaatje gaan. Terwijl Nederlandse mannen mogen concurreren met andere mannen, die al net zulke lapzwansen zijn. Dat Nederlandse vrouwen het relatief beter doen dan Nederlandse mannen, wordt daarmee niet verklaard.

Waarschijnlijk zit er veel meer in een andere verklaring, die coach Westphal en Kraaijenhof ook geven:

In veel culturen speelt de vrouw nog een ondergeschikte rol. In Nederland zijn vrouwen geëmancipeerd, ze krijgen meer kansen en grijpen die met beide handen aan. Wij vinden het niet gek als ze net zo hard trainen als mannen, of zelfs harder.

Inderdaad, dat kan wel verklaren waarom Nederlandse vrouwen in een internationaal vrouwenveld het relatief beter doen dan Nederlandse mannen in een internationaal mannenveld. Ook hier gaat het dus om de comparatieve voordelen, niet om de absolute.

Zo. Heb ik er toch nog een economische draai aan weten te geven.

U heeft het waarschijnlijk al gehoord. Aanstaande vrijdag beginnen de Olympische Spelen en Nederland gaat 20 medailles halen, vier keer goud, zeven keer zilver en negen keer brons. Tenminste, volgens economen Kuper en Sterken in de ESB van anderhalve week geleden. Voor wie er toegang toe heeft, staat het oorspronkelijke artikel hier. De voorspelling is gebaseerd op uitslagen van wereldkampioenschappen enerzijds, en anderzijds een model gebaseerd op dingen als het gemiddeld inkomen, aantal inwoners en aantal deelnemers. Het Parool schrijft er vandaag weer over. En hier legt Elmer Sterken het allemaal nog eens uit aan Humberto Tan bij Radio 538.

Mooi doelpunt, gisteravond, van de Spaanse voetballer Fernando Torres. Commentator Frank Snoeks vond dat ook en maakte daarbij een opmerking over de marktwaarde van Torres, die “na dit doelpunt wel met 20 miljoen Euro omhoog is gegaan.”

Zou dat kloppen? Snoeks heeft verstand van voetbal en weet ook het een en ander van transfers. Maar hoe zit het met economie? Ik kan vier redenen bedenken waarom een goal in de EK-finale de marktwaarde verhoogt.

  1. Informatie. De goal laat kwaliteiten van de voetballer zien waarvan we het bestaan niet vermoedden. Dat is niet zo’n gek idee: je kunt niet zo vaak laten zien dat je kunt scoren onder de druk van de finale van een groot tournooi. Die kwaliteiten zijn de productiefactor van een voetbalclub, en clubs zullen nu meer willen betalen.
  2. Kopers. Scoren in de EK-finale zorgt voor naamsbekendheid en waardoor zich meer kopers melden. Dat drijft de prijs op. Iets dergelijks zit volgens mij onder meer achter de oplopende beurskoers van Apple in 2006 en 2007, meer nog dan hogere winstverwachtingen.
  3. Bekendheid. Het pure feit dat je de doelpuntenmaker uit de EK-finale op het veld brengt doet de toeschouwers toestromen, en maakt de speler meer waard. Voetbal doet er niet toe. Zoals bij de gele-trui-drager uit de Tour in het criterium van Boxmeer.
  4. Scoren maakt beter. Juist door het maken van het winnende doelpunt wordt Torres een betere voetballer. Zelfvertrouwen, nietwaar? Dit punt, versus #1, lijkt wel wat op de discussie over de waarde van onderwijs.

Het lijkt mij sterk dat punten 1 en 2 veel gewicht hebben. De markt voor spelers is er te groot en te liquide voor. Alle informatie zou al in de huidige prijs verwerkt moeten zitten. Ik geloof ook niet heel erg in 4. Maar is punt 3 zoveel geld waard? Misschien wel: Beckham krijgt een miljoen per week voor zijn werk in een matige competitie. In dat geval is het voor Torres beter om met 1-0 te winnen en de enige doelpuntenmaker te zijn, dan met bijvoorbeeld 5-0.

Luttele uren voor de eerste wedstrijd van Oranje meld ik nog even dat we de bovenkant van de site vervangen hebben door de marktprijs EURO.08.HOLLAND van Tradesports. Dat aandeel geeft de procentuele kans weer dat Nederland over twee en een halve week met de cup in handen staat. De handel is wat dun maar de huidige 6.5 procent lijkt mij ballpark correct. De koers bij het EK-beleggen (pas op: zware sponsoring) staat op 12 procent. Dat niemand iets aan dit verschil doet geeft aan dat de markten nogal wat beperkingen kennen.

Ik hoop dat mijn buurman, als het zover is, zijn huis weer snel beige zal verfen. Tegen die tijd komt ook onze 50 gulden weer terug.

« Vorige paginaVolgende pagina »