Uit de lucht


Er ligt een plan om het aantal koopzondagen in Nederland te beperken. De Tweede Kamer sprak er vorige week al over. Het platform detailhandel is tegen en claimt dat de beperking 20.000 banen kost. Dat getal domineert inmiddels het debat, mede door een advertentie die het platform vandaag laat plaatsen.

Waar komt het getal vandaan? Van het platform zelf, maar op hun site staat geen verantwoording. Om iets over de methode te weten te komen moeten we naar dit interview op BNR luisteren. Jelger Zee van het platform licht daar toe: 1) de achterban vreest 3 tot 4% omzetverlies en 2) elk procent omzetverlies kost 5.000 banen. Het argument dat gemiste omzet op andere dagen wordt goedgemaakt klopt niet, want “op zondag gaan mensen anders winkelen, mensen gaan funshoppen.”

Dit “onderzoek” is redelijk arbitrair en hangt op de natte vinger van de winkelier. Dat de kranten het toch afdrukken toont maar weer eens hoe verleidelijk een getal kan zijn, ook al valt het uit de lucht. Twintigduizend banen, meneer, in deze tijd.

Maar stel dat het klopt, een mogelijkheid die we niet mogen uitsluiten. Zijn die 20.000 mensen dan voor altijd werkloos? Welnee, de consument moet ergens naartoe met zijn geld. De bestedingen buiten de detailhandel groeien, internetwinkels (altijd open!) zoeken personeel, de horeca. De juiste kop is in dat geval, “minder koopzondagen kost 20.000 banen in de detailhandel“. Op langere termijn komt iedereen wel weer onder dak. Maar de langere termijn, dat duurt even, en het is een feit dat het niet handig is om juist nu werkgevers in het nauw te brengen.

Ik snap dat het platform het via de banen speelt, een politiek moeilijk punt in deze tijd. Maar de werkelijke kwestie is volgens mij een andere. Door winkels te verbieden op zondag te openen maakt de regering transacties onmogelijk, transacties tussen volwassen mensen die daar allebei beter van worden. Zondagssluiting is niet alleen slecht voor winkelpersoneel, maar vooral voor de consument. En het zijn de consumenten die over twee jaar de regering gaan beoordelen.

Sinds de drieënhalf jaar dat dit weblog actief is zijn er exact 700 berichten op geplaatst. Heeft zoiets zin? Het is maar de vraag of iemand zich er iets van aantrekt wat we schrijven. Maar een (voor mij) belangrijke functie is deze: als er, zeg na drieënhalf jaar, een duur onderzoek verschijnt dat precies hetzelfde zegt als een bericht op deze site dan denk ik tevreden, zie je wel.

Het bericht in kwestie is nota bene het eerste dat ik hier schreef. Lees het nog eens rustig na en vergelijk het dan met dit rapport over downloaden dat vandaag verschijnt bij EZ. De conclusie: niet elke gedownloade file is een misgelopen verkoop, en wie een schatting wil maken van de omzetdaling als gevolg van downloaden moet rekening houden met een dalende vraagcurve.

Het is trouwens een erg leuk rapport, omdat de auteurs ook eens uitgerekend hebben hoe dat downloaden de welvaart nou beïnvloedt. Want er wordt misschien wel minder omzet gedraaid in de platenzaak, maar downloaders krijgen iets voor niets en dat is weer welvaartsverhogend. De conclusie is dat er tegen €100 mln omzetverlies een positief welvaartseffect van €200 mln euro staat.

Dat is een subtiel verhaal, natuurlijk. Downloaden is daarmee nog niet goed voor de economie, zoals de kranten meteen schrijven (alleen de Telegraaf heeft het, in de kop althans, goed). Welvaart is geen BNP en je kunt er geen belasting over heffen, om maar eens wat te noemen. En dan is er nog de kwestie van de artiesten, die uiteindelijk toch ook iets moeten verdienen. Daarvoor moet een nieuw model komen, aldus het rapport, dat meer draait om optredens en branding.

Verstandige woorden in een mooi rapport. Nou die andere 699 berichten nog.

update 22/1: Een rechter in de VS komt met een vergelijkbare redenering tijdens een file-sharing zaak.

Iemand die Googlet op de zoektermen “broeikaseffect” en “CO2-uitstoot” veroorzaakt zelf 7 gram extra CO2 in de lucht, aldus een recent onderzoek.

Harvard-wetenschapper Alex Wissner-Gross rekende uit wat de gezamenlijke CO2-uitstoot van Googles datacentra zou zijn en deelde dat op het aantal gebruikers. Hij concludeert daaruit dat een keer Google’en evenveel broeikasgas oplevert als het zetten van een halve pot thee.

Dat is allemaal mooi, maar moet ik me hier als individuele gebruiker nu slecht over voelen? Het antwoord is natuurlijk nee, omdat de onderzoeker geen onderscheid maakt tussen de gemiddelde kosten (die hier worden uitgerekend) en de marginale kosten.

Vergelijk het met die andere milieuvervuilende activiteit, een reisje met het vliegtuig. Als ik vandaag besluit geen tickets meer te kopen dan werk ik niet meer mee aan de CO2-uitstoot van vliegtuigen. Tegelijkertijd neemt die uitstoot niet af, omdat het zeer onwaarschijnlijk is dat er door mijn besluit ook maar één vliegtuig minder vliegt. Idem voor zoekopdrachten. Het datacentrum staat er en stoot CO2 uit, ongeacht mijn beslissing wel of niet te zoeken. Het marginale effect is nul. Natuurlijk, als iedereen minder ging zoeken waren er minder datacentra nodig. Maar voor de individuele zoeker is die overweging irrelevant.

Overigens brengt het antwoord van Google nog een belangrijk gegeven in beeld: zelfs al was de marginale uitstoot 7 gram, de vraag is hoe het eerste alternatief milieutechnisch uit zou pakken. Een autorit naar de bibliotheek, misschien?

Vertegenwoordigers van de groep 100.000+ (klanten die meer dan een ton bij Icesave hadden staan) zijn naar IJsland geweest. En nu thuis nog eens dat ledenbestand nakijken, want minstens 69 mensen hebben gelogen over hun tegoed bij de IJslandse bank.

De 469 100.000 plus spaarders hadden samen veertig miljoen op de rekening staan. [Trouw] Het gaat om 40 miljoen euro van 469 particulieren [AD], 469 particulieren die bij elkaar nog €40 miljoen tegoed hebben. [Quote]

Rita Verdonk heeft woensdag bij het kabinet aangedrongen op eerlijkheid over de kosten van het generaal pardon, dat volgens haar de samenleving niet 450 miljoen euro, maar meer dan 6 miljard euro zou kosten,

zo lezen wij vanochtend.

Soms volstaat een eenvoudige verwijzing naar onze archieven.

Wat zijn de economische effecten van het splitsen van België? Dat is een lastige vraag, die zich moeilijk laat beantwoorden in een opstel van, zeg, elf kantjes met een groot lettertype.

Wat niet wegneemt dat er Belgen zijn die het proberen. Lees bijvoorbeeld dit stuk [pdf] van Rudy Aernoudt, die er gisteren de krant mee haalde. Hij plakt bedragen op de belangrijkste kostenposten van een mogelijke splitsing.

De schokkende conclusie is dat zelfs de Vlamingen er bij een splitsing bij inschieten, en wel met €1,25 miljard per jaar. Want hoewel er geen geld meer naar Wallonië moet, zijn er wel degelijk kosten aan de scheiding. Aernoudt voert er maar twee op: een minder efficiënt ambtenarenapparaat (de Belgische ambtenaar wordt vervangen door een Waalse én een Vlaamse) en de schade door het verdwijnen van het merk België.

Dat laatste is opmerkelijk, want gebaseerd op een flinterdun rapport dat wij hier reeds naar de prullenbak verwezen. De €1,75 miljard die het verlies van het merk zou kosten is bovendien niet nodig: waarom Vlaanderen niet België genoemd en Wallonie Belgique?

Ernstiger is dat belangrijke elementen in de uitruil niet op de bon staan. Economen zien de grootte van een land als een afweging tussen schaalopbrengsten en homogeniteit. Die schaalopbrengsten zitten gedeeltelijk in het ambtenarenapparaat, maar ook in productiemogelijkheden en handel. Het is een bekend resultaat dat als de handel vrijer wordt en het verkeer van geld en personen ook, landen gemiddeld kleiner worden. De uitruil verandert dan omdat schaalopbrengsten minder opleveren. Maar EU of niet, elke extra grens beperkt de handel nog steeds enorm. De verminderde handel en productie zijn dan ook de voornaamste verwachte kostenpost voor Vlaanderen. Die zou je eigenlijk niet over het hoofd moeten zien.

Ik heb hier wel eens zitten mopperen op financieel journalisten die inconsistente verhalen afsteken over het hoe en waarom van koersbewegingen. Laat ik vandaag eens iets positiefs zeggen: wat een prachtige keten van oorzaak en gevolg wordt hier gemaakt, en eentje waar ik ook nog eens mee kan instemmen (nou ja, grotendeels).

Hier komt het verhaal. U weet dat (plotselinge) (voor de kenners: discrete) koersbewegingen alleen ontstaan als er nieuwe informatie is. De vrijgekomen informatie is dat de orkaan Gustav minder schade aan Amerikaanse olieinstallaties heeft aangericht dan verwacht.

Dit nieuws leidt ertoe dat het verwachte aanbod van olie voor de komende maanden toeneemt. Dit leidt onmiddelijk tot een lagere olieprijs. (Hier zit mijn enige voorbehoud, de oorzaak van het “grotendeels” hierboven- is dit effect werkelijk zo groot?)

De lagere olieprijs is goed nieuws voor de inflatie overal ter wereld. Zo ook in Europa, waar de ECB het liefst de rente zou verlagen in verband met een dreigende recessie. Nu de olie goedkoper is, is de kans op een lagere Europese rente vergroot. De Amerikaanse rente is al een stuk lager dan hier; de kans dat daar nog wat afgaat is klein en dus zal het renteverschil teruglopen. Een reden voor valutahandelaren om Euro’s te verkopen en Dollars aan te kopen. En dus daalt de Euro vanochtend een dikke cent.

Mooi toch? Alleen jammer dat het verhaal pas achteraf tot stand komt.

Als nieuwe luchtvaartmaatschappij is het vrijwel onmogelijk om op een luchthaven als bijvoorbeeld Heathrow aan de bak te komen. Wie daar wil vliegen, heeft zogenaamde landing slots nodig; het recht om te landen en op te stijgen. Het is een curieus systeem. Wie in het verleden zulke rechten heeft weten te bemachtigen, is spekkoper. Op Heathrow is dat vooral British Airways. Wie ze niet heeft, is de pineut. Er is immers geen vrije markt in landing slots. De huidige eigenaars staan ze niet zo maar af, want meer concurrentie, daar zit niemand op te wachten, en wie weet ben je die landing slots later zelf weer nodig. Op vliegvelden moet gevlogen worden, daarom is iemand die een landing slot heeft, ook verplicht er gebruik van te maken.

Inefficiënt, zegt u? Reken maar. Zo meldde the Times vorige week dat luchtvaartmaatschappij bmi voorlopig met vrijwel lege vliegtuigen gaat vliegen om te voorkomen dat ze haar landing slots kwijt raakt. [via]

In het zelfde artikel (en ook hier) wordt melding gemaakt van prijsbreker Flybe. Die vliegt op Norwich, maar krijgt van de luchthaven een boete van een paar ton als er minder dan 15,000 passagiers per jaar worden gegenereerd. Het gevolg? Flybe zoekt naar acteurs om tegen betaling heen en weer te vliegen.

Als er weer van die spotgoedkope vliegtickets worden aangeboden, dan weet u nu waarom.

Over het algemeen stellen bedrijven het niet op prijs als nieuwe concurrenten hun rustige en comfortabele leventje komen verstoren. Gebeurt dat toch, dan willen ze nog wel eens reageren als kleine kinderen wiens speelgoed wordt afgepakt. “Niet eerlijk!” roepen de banken bijvoorbeeld als er iemand komt die een hogere rente aanbiedt. En natuurlijk worden de nieuwe concurrenten meteen tot zondebok gebombardeerd en krijgen ze de schuld van alles wat er misgaat in de bedrijfstak.

De KLM liet vanochtend in de Volkskrant een fraai staaltje zien, bij monde van directeur Peter Hartman. De vliegtax, die was toch door de overheid ingesteld? Nee hoor, weet Hartman, het is allemaal de schuld van die vermaledijde prijsbrekers:

Volgens Hartman zijn budgetmaatschappijen als easyJet en Ryanair medeverantwoordelijk voor de invoering van de vliegtaks. ‘Als je jarenlang luidkeels adverteert met tickets naar Nice voor 10 euro, is het niet gek dat politici denken: Hé, dat vliegen is zo goedkoop, daar kan nog wel een heffing bovenop.’

Als iedereen dus gewoon braaf de woekerprijzen van KLM was blijven betalen, dan was er nu geen vliegtax geweest. Eigen schuld.

Mooi doelpunt, gisteravond, van de Spaanse voetballer Fernando Torres. Commentator Frank Snoeks vond dat ook en maakte daarbij een opmerking over de marktwaarde van Torres, die “na dit doelpunt wel met 20 miljoen Euro omhoog is gegaan.”

Zou dat kloppen? Snoeks heeft verstand van voetbal en weet ook het een en ander van transfers. Maar hoe zit het met economie? Ik kan vier redenen bedenken waarom een goal in de EK-finale de marktwaarde verhoogt.

  1. Informatie. De goal laat kwaliteiten van de voetballer zien waarvan we het bestaan niet vermoedden. Dat is niet zo’n gek idee: je kunt niet zo vaak laten zien dat je kunt scoren onder de druk van de finale van een groot tournooi. Die kwaliteiten zijn de productiefactor van een voetbalclub, en clubs zullen nu meer willen betalen.
  2. Kopers. Scoren in de EK-finale zorgt voor naamsbekendheid en waardoor zich meer kopers melden. Dat drijft de prijs op. Iets dergelijks zit volgens mij onder meer achter de oplopende beurskoers van Apple in 2006 en 2007, meer nog dan hogere winstverwachtingen.
  3. Bekendheid. Het pure feit dat je de doelpuntenmaker uit de EK-finale op het veld brengt doet de toeschouwers toestromen, en maakt de speler meer waard. Voetbal doet er niet toe. Zoals bij de gele-trui-drager uit de Tour in het criterium van Boxmeer.
  4. Scoren maakt beter. Juist door het maken van het winnende doelpunt wordt Torres een betere voetballer. Zelfvertrouwen, nietwaar? Dit punt, versus #1, lijkt wel wat op de discussie over de waarde van onderwijs.

Het lijkt mij sterk dat punten 1 en 2 veel gewicht hebben. De markt voor spelers is er te groot en te liquide voor. Alle informatie zou al in de huidige prijs verwerkt moeten zitten. Ik geloof ook niet heel erg in 4. Maar is punt 3 zoveel geld waard? Misschien wel: Beckham krijgt een miljoen per week voor zijn werk in een matige competitie. In dat geval is het voor Torres beter om met 1-0 te winnen en de enige doelpuntenmaker te zijn, dan met bijvoorbeeld 5-0.

« Vorige paginaVolgende pagina »