Crisis!


Voor het onwaarschijnlijke geval dat u het gemist heeft; gisteren ontplofte het economeninternet bijkans door deze kwestie. In een nogal invloedrijke paper in de American Economic Review van 2010 laten Reinhart en Rogoff zien dat landen met een schuld boven de 90% minder hard groeien. Dat resultaat geldt als belangrijke onderbouwing voor de stevige bezuinigingen die her en der worden doorgevoerd. Wat blijkt? Er zijn wat foutjes gemaakt bij de data-analyse. Of, nou ja, Reinhart en Rogoff bedienden zich van praktijken waar we tot nu toe vooral sociaal-psychologen van beschuldigden:

Three main issues stand out. First, Reinhart and Rogoff selectively exclude years of high debt and average growth. Second, they use a debatable method to weight the countries. Third, there also appears to be a coding error that excludes high-debt and average-growth countries. All three bias in favor of their result, and without them you don’t get their controversial result.

Dat laatste is met name koddig: er bleek een foutje te zitten in de Excel-spreadsheet waarmee de regressie gedaan werd, waardoor een paar landen niet meegenomen werden. Tja. Wat eigenlijk vooral schokkend is, is dat de analyse blijkbaar zo weinig robuust is dat zulke keuzes en foutjes uberhaupt het oorspronkelijk gepubliceerde resultaat volledig onderuit halen.

Pijlsnel kwamen Reinhart en Rogoff met een reactie, die vooral als onthutsend zwak wordt beschouwd.

Meer hier en hier.

getallen

Voor op de Volkskrant (vandaag gratis te lezen) haalt Arnon Grunberg de schrijver J.M. Coetzee aan, die schrijft

Bepaalde getallen die hoog waren, zijn plotseling laag geworden, en als gevolg daarvan zijn we armer. (…)Er is niets veranderd behalve de getallen

waarop Grunberg opmerkt dat deze getallen op beeldschermen ook nog eens “weinig tot geen relatie hebben met de werkelijkheid waarin wij leven”. Je kunt daar moedwillig onbegrip in lezen, maar in die opmerkingen klinkt ook de echo van de alles doet het nog-gedachte die je vlak na de crisis in 2008 wel eens hoorde: waarom gaan we eigenlijk niet door met waar we mee bezig waren? Dat ging toch prima? Waar is die crisis nou voor nodig?

Nou is het  niet moeilijk om het op te nemen voor  getallen op schermen in het algemeen. Ze zijn ook maar de boodschapper,  de hartslag op de monitor naast het ziekenhuisbed, de maximumsnelheid op het bord boven de snelweg. Interessanter is wat de getallen proberen weer te geven.

Daar ligt de sleutel van het verhaal, de verklaring voor de macht van de getallen.  Coetzee en Grunberg hebben het, neem ik aan, over prijzen op financiële markten. Dat is een bijzonder soort getal, omdat het niet alleen iets zegt over het heden maar ook over de verwachte toekomst. Heel de handel in aandelen, obligaties, derivaten en wat dies meer zij draait om de vraag wat er morgen, overmorgen, en daarna gebeurt. Vrijwel alle stukken zijn contracten om in de toekomst tot een overdracht te komen. Als de toekomst tenminste op een bepaalde manier uitpakt.

Dat verwachtingen een relatie hebben met de werkelijkheid waarin wij leven, is onomstotelijk waar. Vrijwel iedereen doet zijn werk onder invloed van verwachtingen. De bakker bakt voor de klant van morgen, de bouwer bouwt voor het gezin dat nog moet beslissen om een huis te kopen. Als blijkt dat de verwachting niet klopt,  stopt het werk. Het hoge getal dat laag wordt, geeft iets belangrijks aan: we verwachten niet langer dat onze bezigheid zal leiden tot iets nuttigs. Voor de  kantoren die we aan het bouwen zijn, is helemaal geen belangstelling. In veel gevallen komt er nog een tweede laag verwachtingen overheen: we verwachten ons contract in de toekomst niet langer door te kunnen verkopen aan iemand anders met hoge verwachtingen.

Grunberg schrijft over SNS, waarvan de redding ook maar een veranderend getal zou zijn. Dat zal wel, maar dat doet geen recht aan de torenhoge verwachtingen, de vermoorde dromen, de stommiteiten en de angst achter de reeks van getallen. Van een schrijver zou je toch beter verwachten.

Tweehonderdvijftig pagina’s telt de WEO, het halfjaarlijkse overzicht van het IMF, maar aan de reacties te zien hadden dat er net zo goed drie kunnen zijn. Zoveel kantjes telt Box 1.1, geschreven door Blanchard zelf, met als onderwerp die verdraaide multipliers waar ik eerder deze week ook al over berichtte. Dat laatste verplicht mij er nu nog iets meer over te zeggen. (meer…)

Het is natuurlijk een treurige crisis waar we met z’n allen inzitten. Gelukkig valt er af en toe nog wat te lachen. Van de week bijvoorbeeld. Het begon, zoals zo vaak, met een tweet:

Slightly wonkish, dat klinkt als een lekkere versnapering tussen het serieuze wonk-werk door. (meer…)

Als twee vrachtwagens met dynamiet elkaar moeten passeren op een smalle bergweg, wie gaat er dan achteruit? Deze zomer las ik het schitterende Strategy of Conflict van Thomas Schelling, over conflicten waarin de spelers tegengestelde belangen hebben, maar ook een gezamenlijk belang om de boel niet te laten ontploffen. De belangrijkste les was zwakte is sterkte, oftewel, de speler die de minste opties heeft, komt het best uit het spel.

Het steekspel rond de Griekse schuld is een klassiek voorbeeld van dit thema. Griekenland wil zo min mogelijk betalen, Europa wil zo veel mogelijk geld terug, maar beiden willen een failliet voorkomen. En dus heeft elke kant zichzelf zoveel mogelijk opties ontnomen. Europa:

“We will certainly not discuss a top-up,” said Wolfgang Schäuble, the German finance minister, noting that a €130bn limit was agreed at an EU summit in October. “We are negotiating within the mandate that heads of state and government have given us.”

En in Griekenland ligt het land stil door een staking en stappen ministers op, wat de Griekse onderhandelaars steunt in hun overtuiging dat ze echt niet verder toe kunnen geven.

De theorie zegt dat de twee uiteindelijk, net voor de deadline, tot overeenstemming komen. Maar Schelling waarschuwt ook dat elke crisis zijn eigen dynamiek kent, en tot ongewenste uitkomsten kan leiden. Een belangrijke toepassing van zijn werk was de hotline, een rode telefoon voor leiders in Washington en Moskou die tijdens de koude oorlog misverstanden moest voorkomen. Laten we hopen dat Venizelos en Juncker elkaars mobiele nummer hebben.

De vallende Griek Icarus hangt boven de deur van de desolate boedelkamer. Toen het paleis op de Dam nog stadhuis was, werden hier de faillissementen afgehandeld. Verder in het beeldhouwwerk: ratten, lege beurzen en waardeloze aandelen.

Niet iedereen vindt dat het in deze tijden van crisis verstandig is om extra te bezuinigen. Neem bijvoorbeeld het IMF. Minister de Jager is het daar niet mee eens en komt vanochtend met de volgende doorwrochte analyse:

Je hebt altijd studeerkamerwetenschappers en je hebt de financiele markten. Om geld op te halen heb je niet zo heel veel aan die studeerwetenschappers want die zijn meestal niet zo heel erg rijk. Dus je hebt toch de financiele markten nodig om de schuld te financieren. En ze zeggen wel dat ze alles kunnen voorspellen maar daar hebben ze in ieder geval nog niet veel mee verdiend.

Luister maar, hier, het gewraakte fragment begint op 1:48 [via].

Uit de WUZ, de ingezonden brieven van de Telegraaf, de editie van vanochtend:

Met dit Keynesiaanse inzicht van Cindy is natuurlijk weinig mis (afgezien van het importlek dan) maar die elasticiteit, hoe zou ze die geschat hebben? Helaas ontbreken de referenties.

Een oud-collega van mij mocht graag onderscheid maken tussen open loop en closed loop modellen. Het verschil tussen de twee is of het model de reactie van, laten we zeggen, omstanders meeneemt in de berekeningen.

Een simpel voorbeeld van een open loop model is het volgende: ik laat in mijn bedrijf de kraan in de wc openstaan en stop papier in de afvoer. Na een paar minuten loopt het water over de vloer, een uurtje later is de hele gang drijfnat en na een paar weken is het hele gebouw volgelopen. Mooi model, maar in werkelijkheid komt er waarschijnlijk een collega voorbij die snel de kraan dichtdraait. In het closed loop model reageren omstanders op onacceptabele omstandigheden.

Ik schrijf weinig op deze site de afgelopen tijd. De euro-crisis eist zijn tol: iedere avond val ik uitgeput op de bank en staat het me tegen om nog maar weer iets zinnigs over de Europa te schrijven. Tegelijkertijd is het de periode er niet naar om pietluttige dingetjes aan de kaak te stellen. Ik doorbreek deze cyclus met behulp van, jawel, Barry Eichengreen (eerder) die in een verstandig stuk het volgende punt maakt: als u een voorspelling voor volgend jaar wilt doen, zorg dan dat uw model closed loop is.

Veel experts die hun zegje over de huidige crisis mogen doen, komen met analyses van het type “als er nu niets gebeurt, kan er iets vre-se-lijk misgaan”. Mooi, denk ik dan, dan zal er dus wel iets gebeuren. Op het laatste moment grijpt de ECB toch in; stemt de regering toch voor; komen de schuldeisers toch over de brug, etcetera. Omdat de alternatieven niet te pruimen zijn. Zolang er nog iets te redden valt, mogen we ervan uit gaan dat dat ook gebeurt. Volgens Eichengreen gaat het daarom volgend jaar nog niet grandioos mis. Het is natuurlijk wel zaak om die tijd verstandig te gebruiken. Het voorgoed oplossen van de problemen gaat namelijk langzaam, wat ook een reden is om geen wonderbaarlijk jaar te verwachten. Conclusie: geen ramp, maar ook geen voorspoed in 2012. Wat de economie betreft dan. Ik ga ervan uit dat u er gewoon een fantastisch jaar van maakt.

Nu Italië in het brandpunt van de belangstelling staat zie je steeds meer artikelen als deze verschijnen, over de rotte structuur van de Italiaanse economie:

Daarbij frustreren veel ouderen de carrière van de nieuwe generatie. Zij menen recht te hebben op een baan-voor-het-leven, terwijl jongeren van rotbaantje naar rotbaantje moeten hoppen. Jonge mensen die iets van hun leven willen maken, vluchten naar het buitenland.

Ik weet niet hoe het met u is, maar dit komt precies overeen met mijn eigen ervaring. Op elke plek waar ik de afgelopen 15 jaar gewerkt heb, kwam je steevast een stuk of vijf jonge Italianen tegen. Slim, goed opgeleid en niet zelden last van een behoorlijke dosis heimwee. Als je vroeg waarom ze dan niet liever naar huis gingen kreeg je een mismoedig antwoord over de onmogelijkheid om geschikt werk te vinden.

En dat is misschien het goede nieuws voor de Italianen: over heel Europa verspreid zit een leger bekwame arbeidskrachten te wachten tot het land klaar is voor hun terugkeer. Om maar niet te spreken van de andere Europeanen die wel eens een tijdje in de zon zouden willen werken. Daar zit een behoorlijk stuk potentiële groei.

Tegelijkertijd realiseer ik me dat ik in al die jaren nooit een Griek ben tegengekomen.

Volgende pagina »