Vragen voor Larry Summers

Deze vrijdag kan de Nederlandse econoom gaan luisteren naar één van zijn meer beroemde vakbroeders uit de VS: Lawrence H. Summers (zie de filmscene; familie van en van; en het schilderij). Hij spreekt dan de Tinbergenlezing uit op de Nederlandse Economendag. In plaats van een verslag ter plekke, zoals vorig jaar, kijk ik dit jaar vast vooruit naar de lezing.

De reden: we weten al wat Summers in Amsterdam gaat zeggen. Het moet wel heel raar lopen als zijn lezing niet grotendeels gaat over het onderwerp waarover hij bijna een jaar geleden voor het eerst sprak: secular stagnation, of hoe de uitval van vraag leidt tot een stilvallen van de economische groei. Symptomen: lage investeringen, minieme inflatie, lage rente, hoge werkloosheid. Daarmee kun je Europeanen goed om de oren slaan: zie bijvoorbeeld op deze video (ca. 14:40) hoe Larry de heren Schäuble en Padoan onder handen neemt, recent bij het IMF.

Zijn aanbeveling is even simpel als controversieel: oppeppen die vraag, met monetaire middelen en, als die zijn uitgeput, door te investeren met geleend geld. Onder de huidige omstandigheden verdient een goede investering (bijvoorbeeld in infrastructuur) zichzelf makkelijk terug, en stimuleert ook nog eens de groei. Uiteindelijk is dit een hoopvol verhaal, want het stelt dat de huidige lage groei niet wordt veroorzaakt door een lage potentiële groei: er is een manier om weer uit de put te komen.

Het is een mooi betoog en Summers is een prettige spreker. In combinatie met zijn sterk Keynesiaanse boodschap, die er bij het Nederlandse publiek doorgaans goed ingaat, lopen we het risico op een kritiekloos applaus. Daarom nu vast wat kritische vragen.

1. Investeren in infrastructuur is het tovermiddel voor landen die te maken hebben met stilval. Maar neem bijvoorbeeld Spanje, een land dat wel wat stimulatie kan gebruiken. De reden dat het land in de touwen hangt, is juist een overinvestering in infrastructuur in de jaren voor de crisis. Moeten we daar nog meer van doen? En moet Italië, om een andere klant te noemen, echt meer gaan lenen om weer te groeien?

2. De Duitse infrastructuur is een stuk slechter, en Duitsland is in een positie om de beurs te trekken. Maar er is wellicht een reden dat de Duitsers zo op de centen zijn. Niet vanwege die nationale inflatie-angst, maar vanwege de dynamische budgetrestrictie: de demografie van Duitsland is buitengewoon ongunstig en sparen voor de oude dag gebeurt slechts sinds een jaar of tien.

3. Investeren doe je waar de marginale productiviteit het hoogst is. Sinds kapitaal makkelijk de wereld over kan, gaat het Europa uit, op weg naar opkomende landen of de VS. Pleit Summers eigenlijk voor het weer afsluiten van het vrije kapitaalverkeer, zodat onze besparingen verplicht lokaal worden ingezet?

Stimulus 2.0

Welja, nemen we even een paar weken vakantie van dit economische weblog, zit meteen de hele economie in een liquiditeitsval. Werkloosheid torenhoog, investeringen in het putje. Het zou helpen als de bestedingen eens lekker aan zouden trekken.

Maar helaas. Net nu het geld in beweging zou moeten komen zijn de burgers plots bevangen door een grote spaar- en ontschuldzin. In normale gevallen verlaag je dan de rente, maar die staat al zo dicht bij nul dat zelfs sparen in een oude matras aantrekkelijk begint te worden. Is er dan niemand die raad weet?

De traditionele econoom merkt op dat de nominale rente misschien niet verder omlaag kan, maar de reële rente best nog wel wat kan zakken. Als we nou, om te beginnen, de inflatiedoelstelling eens richting de vier procent konden krijgen. Dan verdwijnt, bij nul procent rente, ieder jaar een fors gedeelte van de koopkracht van het spaartegoed. Dat zal die luie rijkaards wel naar de P.C. Hooftstraat jagen!

Een nadeel is natuurlijk dat zoiets zich eerst helemaal in de verwachtingen van consumenten moet werken. Die waren net lekker verankerd, en voordat zo’n nieuwe doelstelling een beetje effect heeft ben je jaren verder.

Nee, dan de minder traditionele economen. Een slimme beweging, die wordt geleid door een dappere Galliër, heeft zich laten inspireren door mijn eerdere blog “dreigen is genoeg”. Hun wapen: een boek van 970 pagina’s dat in lezers het onbedwingbare verlangen losmaakt om belasting te gaan heffen op vermogen. Het werk, dat wordt uitgebracht op hetzelfde moment dat in heel Europa het bankgeheim wordt opgeheven, heeft zijn effect op vermogende consumenten niet gemist.

De kracht van de suggestie doet hier zijn Keynesiaanse werk. Zonder dat er feitelijk iets hoeft te gebeuren wordt de burger richting het winkelcentrum gedirigeerd, om ons daar snel uit de liquiditeitsval te verlossen. Met een beetje geluk wordt Thomas Pikkety daarmee de Roosevelt van de 21e eeuw.

Ze hebben de crisis niet voorspeld

Op diverse plekken woedt weer het (terugkerende) debat over het nut van de econoom. Economen spreken elkaar de hele tijd tegen, opgejut door de pers, en daardoor lijkt het wel of economie geen wetenschap is. Zie ook Paul Tang eerder dit jaar.

In zijn inleiding bij de DWDD-versie van dit verhaal herhaalt Matthijs van Nieuwkerk de aantijging die je wel vaker hoort: economen voorspelden de crisis niet. Het is wellicht de moeite om eens even na te denken wat de presentator ons hier verwijt.

Het voorspellen van de crisis, hadden de economen dat goed gedaan, is het voorkomen van de crisis. Als de gehele beroepsgroep in een vroeg stadium had gezien dat in de financiële sector een onhoudbaar spel gespeeld werd, op basis van alsmaar stijgende huizenprijzen en moeilijk te begrijpen, doorverkochte, risico’s, dan had de toezichthouder ingegrepen voordat de boel uit de hand liep. Dan was het allemaal met een sisser afgelopen. Maar had er dan ook iemand gezegd: “die crisis hebben de economen toch maar mooi aan zien komen”? Nee natuurlijk. Bij gebrek aan een grote crash blijft het volk onwetend.

Omgekeerd betekent dat, dat het best mogelijk is dat economen diverse andere crises wél aan hebben zien komen, waardoor we ervan verschoond zijn gebleven, maar ook kunnen fluiten naar de erkenning.

Tja. Het is wellicht sterker om hier met een goed voorbeeld te komen. Laat ik het eens proberen. Eind jaren ’70 van de vorige eeuw toonden de economen Kydland and Prescott overtuigend aan dat het geen goed idee was om beleidsmakers al te veel keuzevrijheid te geven bij het herhaaldelijk uitvoeren van dezelfde taak, als ze daarbij de burgers voor de gek konden houden. Dat inzicht leidde uiteindelijk tot het systeem van de onafhankelijke centrale bankier, die alleen geacht wordt op de inflatie te letten.

Je kunt stellen dat economen hiermee de grote inflatiecrisis van 2012 voorzien hebben. Ze zagen al aankomen dat Europese politici niet in staat zouden zijn de verleiding te weerstaan, om hun grote schulden met de geldpers op te lossen. Daarin waren ze zo succesvol, dat de grote inflatiecrisis van 2012 nooit heeft plaatsgevonden.

Graag gedaan.

Sloddereconomie

Voor het onwaarschijnlijke geval dat u het gemist heeft; gisteren ontplofte het economeninternet bijkans door deze kwestie. In een nogal invloedrijke paper in de American Economic Review van 2010 laten Reinhart en Rogoff zien dat landen met een schuld boven de 90% minder hard groeien. Dat resultaat geldt als belangrijke onderbouwing voor de stevige bezuinigingen die her en der worden doorgevoerd. Wat blijkt? Er zijn wat foutjes gemaakt bij de data-analyse. Of, nou ja, Reinhart en Rogoff bedienden zich van praktijken waar we tot nu toe vooral sociaal-psychologen van beschuldigden:

Three main issues stand out. First, Reinhart and Rogoff selectively exclude years of high debt and average growth. Second, they use a debatable method to weight the countries. Third, there also appears to be a coding error that excludes high-debt and average-growth countries. All three bias in favor of their result, and without them you don’t get their controversial result.

Dat laatste is met name koddig: er bleek een foutje te zitten in de Excel-spreadsheet waarmee de regressie gedaan werd, waardoor een paar landen niet meegenomen werden. Tja. Wat eigenlijk vooral schokkend is, is dat de analyse blijkbaar zo weinig robuust is dat zulke keuzes en foutjes uberhaupt het oorspronkelijk gepubliceerde resultaat volledig onderuit halen.

Pijlsnel kwamen Reinhart en Rogoff met een reactie, die vooral als onthutsend zwak wordt beschouwd.

Meer hier en hier.

Bepaalde getallen

getallen

Voor op de Volkskrant (vandaag gratis te lezen) haalt Arnon Grunberg de schrijver J.M. Coetzee aan, die schrijft

Bepaalde getallen die hoog waren, zijn plotseling laag geworden, en als gevolg daarvan zijn we armer. (…)Er is niets veranderd behalve de getallen

waarop Grunberg opmerkt dat deze getallen op beeldschermen ook nog eens “weinig tot geen relatie hebben met de werkelijkheid waarin wij leven”. Je kunt daar moedwillig onbegrip in lezen, maar in die opmerkingen klinkt ook de echo van de alles doet het nog-gedachte die je vlak na de crisis in 2008 wel eens hoorde: waarom gaan we eigenlijk niet door met waar we mee bezig waren? Dat ging toch prima? Waar is die crisis nou voor nodig?

Nou is het  niet moeilijk om het op te nemen voor  getallen op schermen in het algemeen. Ze zijn ook maar de boodschapper,  de hartslag op de monitor naast het ziekenhuisbed, de maximumsnelheid op het bord boven de snelweg. Interessanter is wat de getallen proberen weer te geven.

Daar ligt de sleutel van het verhaal, de verklaring voor de macht van de getallen.  Coetzee en Grunberg hebben het, neem ik aan, over prijzen op financiële markten. Dat is een bijzonder soort getal, omdat het niet alleen iets zegt over het heden maar ook over de verwachte toekomst. Heel de handel in aandelen, obligaties, derivaten en wat dies meer zij draait om de vraag wat er morgen, overmorgen, en daarna gebeurt. Vrijwel alle stukken zijn contracten om in de toekomst tot een overdracht te komen. Als de toekomst tenminste op een bepaalde manier uitpakt.

Dat verwachtingen een relatie hebben met de werkelijkheid waarin wij leven, is onomstotelijk waar. Vrijwel iedereen doet zijn werk onder invloed van verwachtingen. De bakker bakt voor de klant van morgen, de bouwer bouwt voor het gezin dat nog moet beslissen om een huis te kopen. Als blijkt dat de verwachting niet klopt,  stopt het werk. Het hoge getal dat laag wordt, geeft iets belangrijks aan: we verwachten niet langer dat onze bezigheid zal leiden tot iets nuttigs. Voor de  kantoren die we aan het bouwen zijn, is helemaal geen belangstelling. In veel gevallen komt er nog een tweede laag verwachtingen overheen: we verwachten ons contract in de toekomst niet langer door te kunnen verkopen aan iemand anders met hoge verwachtingen.

Grunberg schrijft over SNS, waarvan de redding ook maar een veranderend getal zou zijn. Dat zal wel, maar dat doet geen recht aan de torenhoge verwachtingen, de vermoorde dromen, de stommiteiten en de angst achter de reeks van getallen. Van een schrijver zou je toch beter verwachten.

Meer multipliers

Tweehonderdvijftig pagina’s telt de WEO, het halfjaarlijkse overzicht van het IMF, maar aan de reacties te zien hadden dat er net zo goed drie kunnen zijn. Zoveel kantjes telt Box 1.1, geschreven door Blanchard zelf, met als onderwerp die verdraaide multipliers waar ik eerder deze week ook al over berichtte. Dat laatste verplicht mij er nu nog iets meer over te zeggen. “Meer multipliers” verder lezen

Lachen en huilen met multipliers

Het is natuurlijk een treurige crisis waar we met z’n allen inzitten. Gelukkig valt er af en toe nog wat te lachen. Van de week bijvoorbeeld. Het begon, zoals zo vaak, met een tweet:

Slightly wonkish, dat klinkt als een lekkere versnapering tussen het serieuze wonk-werk door. “Lachen en huilen met multipliers” verder lezen

Schelling in Griekenland

Als twee vrachtwagens met dynamiet elkaar moeten passeren op een smalle bergweg, wie gaat er dan achteruit? Deze zomer las ik het schitterende Strategy of Conflict van Thomas Schelling, over conflicten waarin de spelers tegengestelde belangen hebben, maar ook een gezamenlijk belang om de boel niet te laten ontploffen. De belangrijkste les was zwakte is sterkte, oftewel, de speler die de minste opties heeft, komt het best uit het spel.

Het steekspel rond de Griekse schuld is een klassiek voorbeeld van dit thema. Griekenland wil zo min mogelijk betalen, Europa wil zo veel mogelijk geld terug, maar beiden willen een failliet voorkomen. En dus heeft elke kant zichzelf zoveel mogelijk opties ontnomen. Europa:

“We will certainly not discuss a top-up,” said Wolfgang Schäuble, the German finance minister, noting that a €130bn limit was agreed at an EU summit in October. “We are negotiating within the mandate that heads of state and government have given us.”

En in Griekenland ligt het land stil door een staking en stappen ministers op, wat de Griekse onderhandelaars steunt in hun overtuiging dat ze echt niet verder toe kunnen geven.

De theorie zegt dat de twee uiteindelijk, net voor de deadline, tot overeenstemming komen. Maar Schelling waarschuwt ook dat elke crisis zijn eigen dynamiek kent, en tot ongewenste uitkomsten kan leiden. Een belangrijke toepassing van zijn werk was de hotline, een rode telefoon voor leiders in Washington en Moskou die tijdens de koude oorlog misverstanden moest voorkomen. Laten we hopen dat Venizelos en Juncker elkaars mobiele nummer hebben.

Pardon!?

Niet iedereen vindt dat het in deze tijden van crisis verstandig is om extra te bezuinigen. Neem bijvoorbeeld het IMF. Minister de Jager is het daar niet mee eens en komt vanochtend met de volgende doorwrochte analyse:

Je hebt altijd studeerkamerwetenschappers en je hebt de financiele markten. Om geld op te halen heb je niet zo heel veel aan die studeerwetenschappers want die zijn meestal niet zo heel erg rijk. Dus je hebt toch de financiele markten nodig om de schuld te financieren. En ze zeggen wel dat ze alles kunnen voorspellen maar daar hebben ze in ieder geval nog niet veel mee verdiend.

Luister maar, hier, het gewraakte fragment begint op 1:48 [via].