Arrow is dood

Gister overleed Kenneth Arrow, waarschijnlijk de grootste econoom van de vorige eeuw. In 1972 won hij de Nobelprijs (met Hicks) voor algemene evenwichten, maar hij had er met het grootste gemak nog een paar kunnen krijgen, bijvoorbeeld voor het impossibility theorem, dat er in feite op neer komt dat er niet zo iets bestaat als De Wil Van Het Volk (eerder). Of als grondlegger van de gezondheidseconomie. Of innovatie. Of endogene groeitheorie.

Hier een erg mooi overzicht van zijn werk een paar jaar geleden in een IMF-publicatie. Hier geeft Arrow zelf een ooggetuigeverslag van ontwikkelingen in de economische theorie sinds 1940.

Arrow kreeg niet alleen zelf een Nobelprijs, zijn studenten wonnen er ook 4: Harsanyi, Spence, Myerson en Maskin. De familiebanden zijn ook intrigerend. Larry Summers was een neef, Paul Samuelson de broer van zijn zwager.

Lees vooral dit weblog, dat deze week een vierdelige serie over de bijdragen van de man belooft.

Thomas Schelling

Thomas Schelling, strateeg en speltheoreticus, winnaar van de Nobelprijs (en ontvanger van een eredoctoraat van de EUR), is gisteren overleden.

Hij was misschien wel de econoom die we over de jaren het vaakst aangehaald hebben, omdat zijn inzichten van pas komen in de meest uiteenlopende situaties. Of gewoon omdat zijn boeken zo goed geschreven waren.

Wie nog nooit een Schelling las, begint het beste hier. En (her)lees ook nog eens dit bericht, één van mijn favoriete stukken op deze site.

®andomiseren

De economen Kwast en Kwant werken jarenlang aan een onderzoek. In de publicatiefase nemen ze econoom Aantjes erbij voor wat laatste inzichten en daarmee gaat hun paper de wereld in als Aantjes et al.

Het sorteren op alfabet kan oneerlijk zijn, ook als de auteurs redelijk en van goede wil zijn. Misschien dat Aantjes het niet erg vindt om met Kwant, Kwast en Aantjes te gaan, en dan geeft de volgorde informatie over de relatieve inspanning. Maar als Aantjes toevallig Zwart geheten had, dan zegt de volgorde weer niets over de bijdrage die hij geleverd heeft, want bij Kwant, Kwast en Zwart kan er net zo goed op alfabet gesorteerd zijn.

In de muziek lost men dit probleem op door de groep een eigen naam te geven. Dat geeft mooi een extra vrijheidsgraad en zet de willekeur van de achternaam buiten spel. Maar dan wordt het wel weer lastig als de bandnaam bekendheid krijgt en één van de leden opstapt: moet de band dan ook van naam veranderen? (Zie ook: Frank en de zes Mirellas)

Dit voorstel van Ray ® Robson (2016) doet een andere poging: het symbool ® vertelt de lezer dat de volgorde van de namen bij toeval is vastgesteld. Dat is dus informatiever dan Ray en Robson (2016), wat ook gewoon de alfabetische volgorde had kunnen zijn. Maar wie een naam met een accent heeft weet dat het gebruik van niet-alfanumerieke tekens grote gevaren met zich meebrengt (zie ook: Gerard ’t Hooft). Bovendien geeft randomisatie maar één mogelijkheid: iedereen heeft gelijk bijgedragen aan het product.

De economische oplossing lijkt mij om aandelen uit te geven in ieder paper, en op de voorpagina de eigendomsverhoudingen te geven, desnoods per hoofdstuk. Het citeren van het paper gaat dan via de titel, die net zoals een tweet maximaal uit 140 (alfanumerieke) tekens mag bestaan. En wie zijn naam echt heel graag terug wil zien, zet 'm gewoon in de titel.

Selten is dood

Pas nu is bekend geworden dat Reinhard Selten een dikke week geleden is overleden. Selten deelde de Nobelprijs in 1994 met John Harsanyi en John Nash. (De laatste overleed ruim een jaar geleden; zijn prijs van hem wordt overigens half oktober geveild)

Selten kennen we vooral van het subgame perfect equilibrium, een verfijning van het Nash evenwicht dat het gebruik van loze dreigingen uitsluit, en de chain store paradox. Later legde hij zich vooral toe op experimenten.

Hier een biografie, of een autobiografie op de Nobel website.

Sannikov

De John Bates Clark medal, u weet wel, de prijs voor de beste econoom werkzaam in de VS van onder de 40 (eerder) gaat dit jaar naar Yuliy Sannikov, Rus Oekraiener, en werkzaam op Princeton.

Ging de prijs sinds 2010 steeds naar toegepaste micro-economen (zie bericht vorig jaar), dit jaar is er dan eindelijk weer een hardcore theoreticus aan de beurt. Sannikov bouwt dynamische speltheoretische modellen in continue tijd, over onderwerpen die tot voor kort vooral in discrete tijd werden gemodelleerd (kartels, principal-agent, maar ook corporate finance en macro). Nogal geavanceerd allemaal (de man won niet voor niets drie gouden medailles op wiskunde-olympiades), maar hier staat een zeer goed en relatief toegankelijk overzicht.

Bestaat de waardevrije econoom niet!?

Op MeJudice is een nieuw stuk verschenen van van Dalen, Klamer en Koedijk, naar aanleiding van hun enquete onder economen van ruim een  jaar geleden. Ook nu leidt de analyse tot nogal boude uitspraken en grote claims. De vraag is in hoeverre die claims daadwerkelijk uit de analyse volgen. Het antwoord is ontkennend (zie hier over een eerder artikel in dezelfde serie).

Allereerst de belangrijkste conclusie: politieke voorkeuren zouden “een grote rol spelen in de uitspraken die economen doen”, een conclusie waarmee bijvoorbeeld de Volkskrant meteen aan de haal ging. Die conclusie blijkt gebaseerd op het feit dat de mate waarin economen het met een bepaalde stelling eens zijn, meestal blijkt te correleren met hun zelfgerapporteerde politieke voorkeur. Maar uiteraard wordt politieke voorkeur ook bepaald door je mening over bepaalde zaken. Misschien was een betere conclusie dus geweest: de uitspraken die economen doen spelen een grote rol bij het bepalen van hun politieke voorkeur.

“Bestaat de waardevrije econoom niet!?” verder lezen

Dani Rodrik: Economics Rules

Het lijkt tegenwoordig in de mode om af te geven op economen. Economie is veel te wiskundig, claimen critici. Het is losgezongen van de echte wereld, en moet veel pluralistischer. Economen denken dat de markt alles oplost, en hebben te weinig oog voor bijvoorbeeld sociologische factoren.

Die kritieken snijden niet altijd evenveel hout. Dani Rodrik komt met een boek waarin hij aangeeft waarom de critici vaak ongelijk hebben, maar ook laat zien wat er dan wel mis is met economen. Onderweg geeft hij een mooie inkijk in hoe economen en hun modellen functioneren. (Bespreking na de knip!)

“Dani Rodrik: Economics Rules” verder lezen

Nash is dood

John Nash (86) kwam gisteravond met zijn vrouw om het leven toen hun taxi verongelukte. Ze kwamen net terug uit Noorwegen, waar Nash de prestigieuze Abel-prijs had gekregen. Hier is het oorspronkelijke bericht. Uitgebreide biografie in de New York Times.

Nash was niet de meest vooraanstaande econoom, eigenlijk vooral wiskundige, maar wel degene met het meest invloedrijke idee in de hedendaagse economie-beoefening (zie hier); dat van het Nash-evenwicht. En bij het grote publiek vooral bekend als hoofdpersoon in de film A Beautiful Mind, gebaseerd op dit boek, dat weer geinspireerd was op dit artikel in de New York Times.

Overigens besloeg het proefschrift van Nash maar 27 pagina’s, zie hier. En het klassieke artikel over het Nash evenwicht beslaat verbijsterend genoeg niet meer dan 13 regels op iets minder dan 1 pagina, zie hier.

De econoom in de kaartenbak

Gisteren stond ik stil bij een aantal beweringen over economen uit dit artikel van Rutger Bregman in de Correspondent. Daarin draait het om de vraag of economen andere wetenschappers verdringen uit het publieke debat. Het bewijs daarvoor is niet erg sterk. Op de achtergrond speelt de kwestie waar de inzichten van (bekende) economen eigenlijk op gebaseerd zijn. Daarover vandaag iets meer.

Er zit nogal een verschil tussen de econoom die zijn of haar onderzoek toelicht, in de krant of in de Tweede Kamer, en een professor die een quote voor het nieuws afgeeft. Die twee soorten invloed worden in het artikel min of meer gelijk gesteld, wat volgens mij de zaken wat verwart. Ik ga ervan uit dat de econoom die uit gedegen onderzoek citeert op eigen benen kan staan en wil het hier hebben over tweede variant. Er is tegenwoordig sprake van een select gezelschap media-economen, zo blijkt uit een leuk scriptie-onderzoek waaruit het artikel in de Correspondent citeert. De meerderheid van de vermeldingen in de Nederlandse kranten komt voor rekening van niet meer dan 12 economen. Volgens mij is dit fenomeen betrekkelijk nieuw; als vroege voorloper van de huidige media-econoom kan ik hoogstens Jan Pen bedenken.

Hoe kan het dat zo’n beperkt aantal economen de kranten (en andere media) domineert? Het is verleidelijk om hier naar de superstar theorie te grijpen. Die zegt dat bij lage marginale kosten, kleine kwaliteitsverschillen grote gevolgen kunnen hebben. Maar dat zou betekenen dat de meest bekende economen ook de beste economen zijn. Daarover zijn de meningen verdeeld.

Het is waarschijnlijk beter om eens goed naar de transactie van een interview te kijken. Aan de vragende kant staat de redacteur. Die heeft een vaag idee voor een verhaal en wil een hapklare, begrijpelijke brok informatie. Liefst informatie die goed in het grotere verhaal past, en in het geval van radio en tv graag ook goed onder woorden gebracht door iemand die niet al te vaak uh en ah zegt. Maar de redacteur kan de kwaliteit van de analyse niet goed inschatten.

De geinterviewde wordt zelden betaald voor zijn inspanning; de tegenprestatie is beroemdheid, en het idee iets bijgedragen te hebben aan het publieke discours. Tussen verschillende personen zal zowel de moeite die een interview geven kost, als de (subjectieve) opbrengst, verschillen.

Opsommend: een succesvolle transactie is waarschijnlijker als de econoom zegt wat de redacteur al dacht, en de econoom dat met plezier en zonder gestotter kan doen. Merk op dat de kwaliteit van de economische analyse op het eerste oog geen enkele rol speelt bij het tot stand komen van de transactie.

Natuurlijk zijn er grenzen. Als de econoom bij herhaling lariekoek verkoopt zal er uiteindelijk wel een ingezonden brief komen, of een boze beller. Economen onderling willen nog wel eens reageren op geschreven stukken. Maar tégen dit natuurlijke evenwicht werkt het feit dat wie eenmaal in de kaartenbak van de redacteur zit, regelmatig om zijn of haar visie gevraagd wordt.

Dat laatste is ook wel te begrijpen. Voor zijn interview kan de redacteur op zoek naar een willekeurige deskundige, bijvoorbeeld door de universiteit te bellen (terzijde: ik haalde ooit het RTL nieuws omdat ik de enige was die bij de vakgroep op vrijdagmiddag de telefoon opnam). Maar door meteen een bekende te bellen, kan de redacteur een hoop onzekerheid uitschakelen, en sneller tot een transactie komen.

Dat verklaart waarom we zoveel dezelfde mensen in de krant en op tv zien. Maar voegen ze iets toe? Het verhaal van de transactie laat zien dat niet is uit te sluiten, dat continu de verkeerde man of vrouw in de krant verschijnt. Maar dat lijkt me dan niet de schuld van de economen als groep, zoals in het artikel gesuggereerd wordt – voor andere disciplines zou dezelfde logica moeten gelden. Wie weet welke getalenteerde econoom wordt overgeslagen als Maarten van Rossem weer eens gebeld wordt?

Wie betere kwaliteit van analyse wil, zou er dus voor moeten zorgen dat de kwaliteit daarvan een grotere rol gaat spelen bij het uitnodigen van experts. Onder meer Philip Tetlock maakt zich hier in de VS sterk voor, door middel van het systematisch scoren van voorspellingen. Daar ligt nog een mooi terrein braak in Nederland.

De machtigste wetenschapper

Dit artikel, dat een paar dagen geleden op de Correspondent verscheen, vraagt om een reactie. Het beschrijft de invloed van economen op beleid en hun rol in de media, vergeleken met andere wetenschappers zoals filosofen en historici. Volgens Rutger Bregman (zelf historicus) is de econoom de machtigste wetenschapper, en zijn cijfers over mediaoptredens “verbijsterend”.

Ik haal de twee zaken (macht en media) even uit elkaar. Over economen in de media zal ik morgen wat zeggen. Wat betreft de macht komt het artikel met harde cijfers:  het aantal vermeldingen van economen (en economie) in Kamerstukken en in de krant. Daar zien we dat economen vaker worden genoemd dan collega-wetenschappers, en het gat wordt na 2008 groter.

corres_econ

De suggestie is dat economen onevenredig vaak worden aangehaald. Volgens Bregman is het zo dat economen “historici, filosofen, sociologen en antropologen wegdrukken in de besluitvorming”. Vermoedelijk zou een uitkomst waarbij alle disciplines ongeveer even vaak worden geraadpleegd, als eerlijker gezien worden. Dringt de econoom zijn of haar mening op, ten koste van de rest?

Als econoom zeg ik daarover: het is een kwestie van vraag en aanbod. Als we uitgaan van vermeldingen in de Kamer, zoals in de grafiek hierboven, lijkt het me dat de Kamerleden expertise zoeken op het gebied van zaken waar de Kamer over moet beslissen. Dat kan natuurlijk van alles zijn. Als gaat het over het deelnemen aan een vredesmissie, of de vraag of je koning mag beledigen, lijkt het me heel goed om historici of filosofen om raad te vragen. Bij kwesties zoals het hervormen van het belastingstelsel of maatregelen tegen excessieve beloning zou je misschien beter een econoom kunnen polsen. De verhouding geraadpleegde wetenschappers zou dus bepaald moeten worden door de vraag: waar houdt de Kamer zich zoal mee bezig? Betreft dat hoofdzakelijk gebieden waar economie een belangrijke rol speelt?

Nou gaat economie zo’n beetje over alles, maar dat kun je ook over geschiedenis of filosofie zeggen. Wel zijn er een hoop economische inzichten die specifiek voor politici goed van pas kunnen komen, omdat ze helpen om de gevolgen van beleid in beeld te brengen. Ik denk bijvoorbeeld aan (maatschappelijke) kosten-baten-analyses of een analyse van marginale belastingdruk voor en na beleid. Hier komt het ideaal van Keynes, economen als een soort van tandartsen, dichtbij. Economen dragen informatie aan, de politicus beslist. Als er vanuit de Kamer (of de krant) veel vraag naar economische informatie is, zullen er veel economen geraadpleegd worden.

Dan het aanbod. Economen worden niet geboren, net zomin als historici. Een mens wordt econoom door economie te studeren. Een reden dat er meer economen dan filosofen optreden in de Kamer, is wellicht dat er veel meer economen dan filosofen zijn. Maar belangrijker is misschien nog wel: wie kiest ervoor om economie te gaan studeren? Dat kan zomaar eens het type mens zijn, dat zich graag bezighoudt met  het soort vraagstukken waar de Kamer over gaat. Dat die daar uiteindelijk terecht komt om zich met Kamerzaken te bemoeien, komt wellicht niet alleen door de studie.

Conclusies trekken op grond van de grafiek is dus lastig. De vraag of economen dominant zijn hangt af van de toegevoegde waarde van het advies, en de vraag of economen andere nuttige inzichten verdringen. Dat valt niet af te lezen uit deze lijntjes. Maar de vraag wat de econoom eigenlijk kan, is natuurlijk wel belangrijk. In het artikel wordt stilgestaan bij het feit dat economen niet kunnen voorspellen, iets wat ik graag beaam. Maar kunnen ze daarmee helemaal niks? Of kunnen ze minder dan ze beweren? Het stuk over media-economen biedt houvast om daar verder over te denken. Morgen meer.

(Eerder over economen en wat ze wel en niet kunnen.)