Economen


De John Bates Clark Medal, prijs voor de beste econoom in de VS onder de 40, gaat dit jaar naar Jonathan Levin. Hij doet industrial organization, vooral empirisch, en heeft ook dingen geschreven met Susan Athey, winnaar van een paar jaar geleden.

Nu we het toch over jong talent hebben: de Review of Economic Studies organiseert elk jaar een toernee waarin de wereldwijd zeven meest veelbelovende jonge promovendi op een aantal universiteiten hun beste werk presentereren. Opvallend is dat daar dit jaar een Nederlander bij zit: Peter Koudijs, gestudeerd in Utrecht en gepromoveerd in Barcelona. Zijn onderzoek klinkt spannend: zo bestudeert hij het effect van nieuws op aandelenkoersen door te kijken hoe de koersen van Britse aandelen in Amsterdam in de achttiende eeuw reageerden op de komst van postboten uit Engeland. Koudijs gaat nu naar Stanford.

Economen, wat moet je ermee? Er woedt, met name in de Volkskrant, een discussie over de meningen die economen verspreiden en de vraag of die enig wetenschappelijk gehalte hebben. Deze meneer vindt van niet, deze meneer ook niet, en deze meneer verdedigt de economen.

Het eerste probleem is natuurlijk dat er veel mensen zijn die zich econoom mogen noemen, maar dat de kwalificaties nogal uiteen lopen. Op deze lijst van Nederlandse economen staan Johan Witteveen en Mabel Wisse Smit gewoon naast elkaar. De titel econoom alleen zou niet heel veel vertrouwen in moeten boezemen. Er studeren er jaarlijks duizenden af.

De diepere vraag is of er in de economie wel inzichten bestaan die algemeen toepasbaar zijn. Als de economie een echte wetenschap was, dan zouden al die economen elkaar niet tegen moeten spreken, is de gedachte. Ik sta in deze kwestie, niet geheel verrassend, aan de kant van de economie als wetenschap. Het probleem is alleen dat onderwerp van de economie (en dan met name dat stuk dat de kranten haalt) zo complex is dat enig inzicht alleen kan bestaan als de econoom de zaak versimpelt. De goede econoom weet de kwestie zo te versimpelen dat de essentie behouden blijft. Maar die kunst verstaat niet iedereen, en dus woedt het debat. Deze situatie is trouwens niet uniek aan de economie. Natuurkundigen, een beroepsgroep met een veel betere reputatie, merken hoe vervelend een complexe situatie kan zijn als er een kerncentrale op springen staat. Dan spelen opeens veel zaken door elkaar en ontbreekt informatie over de stand van zaken binnenin de fabriek. Welke risico’s zijn op dat moment belangrijk, en welke doen er niet toe?

Ook natuurkundigen nemen op dat moment geen afscheid van hun theorie. Op eenzelfde manier ben ik een groot voorstander van de disciplinerende werking van de economische wetenschap. Wie zijn argumenten niet in economische termen, of nog liever, in een model kan opschrijven heeft waarschijnlijk een denkfout gemaakt. Klopt de argumentatie wel, dan wordt snel duidelijk welke afruil er in dat argument toe doet. Zo komt het debat weer een stukje verder.

Daarbij staat de natuurkunde binnen de Nobelhiërarchie het hoogste in rang. Van der Meer, een verlegen mens en verre van een opschepper, vertelde me dat hij bij de uitreiking van de Nobelprijs in de eerste auto moest zitten en de economen in de laatste auto.

Max Pam in de Volkskrant.

De American Economic Review, waarschijnlijk het belangrijkste economentijdschrift,  is zojuist begonnen aan zijn 101e jaargang en dus heeft een commissie van Wijze Mannen besloten wat de beste 20 artikelen zijn uit de eerste 100 jaar.  Altijd leuk, zulke lijstjes. Voor de liefhebbers het volledige lijstje na de klik.

Opvallend: het meest recente artikel is al 30 jaar oud, de helft is van tussen 1970 en 1981. Vooral 1980 is goed vertegenwoordigd met 3 artikelen. Verder zijn Diamond en Stiglitz de enigen die twee klassiekers op hun naam hebben staan (Diamond misschien zelfs drie, afhankelijk van hoe je telt). [via]

(meer…)

Wie drie economen om raad vraagt krijgt vier antwoorden en niet voor niets wilde Harry Truman een econoom met maar één arm: als het om meningen gaat kunnen we er wat van. Misschien was het dus vragen om moeilijkheden toen het weekblad The Economist maar liefst tien economen vroeg of er landen in Europa zijn die beter kunnen kiezen voor een faillissement. Interessante balans: natuurlijk vindt iedereen iets anders als het om de details gaat, maar ik tel er drie die zonder omwegen voor een faillissement zijn en drie mordicus tegen; de andere vier zijn van de ene en de andere kant.

Uiteraard is voor beide opvattingen wat te zeggen en in die zin heeft Larry Kotlikoff (nu in Amsterdam, eerder op deze site) de meest zinnige bijdrage aan debat: het is een kwestie van verwachtingen die zichzelf vervullen. Vooralsnog zijn de verwachtingen in de markt redelijk positief, maar een slechte uitkomst is niet ondenkbaar.

[In overig nieuws: ik ben weer eens veranderd van werkgever en daarom nogal druk - bijgevolg valt het tempo op deze site wat terug. Onze excuses voor het ongemak.]

Ronald Coase, Nobelprijswinnaar, een van de grootste economen van de vorige eeuw en regelmatig figurerend in onze kolommen, onder anderen in de reeks Coase is overal, is vandaag 100 geworden. In The Economist een artikel over zijn werk.

In de commentaarbijlage van Thijs’ vorige bericht woedt al enige tijd een discussie over waarom Marshall nu echt de assen verkeerd om tekende, en alle andere economen met hem. Commentator Matthijs (let op de dubbel t) geeft definitief uitsluitsel en dat is voorwaar een apart bericht waard.

Het antwoord staat in een artikel van Scott Gordon in de Eastern Economic Journal 1982, dat hier [grote pdf!] online staat. Het artikel lijdt aan de gebruikelijke breedsprakigheid van historici, maar het komt er op neer dat Marshall het op deze manier handiger vond, omdat hij dan langs de verticale as het surplus van producenten en consumenten kon aflezen. Kort samengevat: Thijs had gelijk.

Afgelopen zondag bij De Magie van Wetenschap op Nederland 2: een aflevering over econoom-van-financiele markten Arnoud Boot. Op zich al een hele meevaller, want economie wordt in de media lang niet altijd als bona fide wetenschap gezien. Inhoudelijk valt het een beetje tegen (vooral veel beelden van Boot op reis), maar zo af en toe komen interessante opmerkingen langs over publiceren, het gebruik van economische modellen en economen in de media. Terug te zien via Uitzending Gemist.

Terwijl we wachten op de Nobelprijs van dit jaar, komt het bericht dat Maurice Allais, de winnaar van 1988, op 99-jarige leeftijd is overleden. Allais is vooral bekend van de Allais Paradox, en dus eigenlijk een voorloper van de huidige stroom aan behavioral economics. Verder blijkt de man onder meer ook grondlegger van het overlapping generations model, en houder van een eredoctoraat van de Rijksuniversiteit Groningen.

Vanuit Groningen en Parijs bereikt ons het bericht dat Angus Maddison is overleden. De Brit, die vanaf 1978 professor aan de RuG was, speelde een grote rol in het verzamelen en standaardiseren van productie- en productiviteitsstatistieken. In zijn werk stelde hij vast hoe economieën er in het verleden uitzagen. Dat soort gegevens is onontbeerlijk voor economen die proberen te begrijpen wat er sindsdien is gebeurd. Een direct resultaat van zijn aanstelling in Groningen was het ontstaan van het GGDC, een internationaal vermaard centrum dat Maddison’s werk voortzet.

Maar iedereen die ik vandaag over Maddison sprak begon over hetzelfde detail: de enorme, futuristische, witte gymschoenen waarop de professor zich door de gangen van het WSN gebouw verplaatste. Zoals wel vaker storen de echt invloedrijke mensen zich niet al teveel aan hun voorkomen. Collega’s in een strak pak keken hem benijdend na.

Maddison’s laatste boek verscheen een dikke twee jaar geleden en heeft de karakteristieke titel Chinese Economic Performance in the Long Run, 960-2030 AD.

« Vorige paginaVolgende pagina »