Milieu


Externe effecten hoeven geen probleem te zijn als de eigendomsrechten maar goed vastliggen. Kenners weten het al: met deze opmerking begint een nieuwe aflevering van de serie Coase is overal.

Het regenwoud in Ecuador is een geweldige schat voor de wereld die helaas rust op een enorme bel olie. Als de Ecuadorianen de olie winnen gaat het regenwoud eraan. Is het dan zo gek dat de regering aldaar in internationale onderhandeling is om, tegen betaling, van oliewinning af te zien?

Ja, dat is best wel gek. Twee jaar geleden werd er nog gesproken over losgeld voor het bos, waarbij men de Ecuadorianen verweet hun eigen belang bij een ongerept oerwoud te vergeten. Let bovendien op de opmerking over eigendomsrechten hierboven. Die liggen pas echt vast als de partijen bij een dispuut terecht kunnen bij een goed werkende juridische macht. Wat doen we als Ecuador, na betaling, toch het bos rooit? We zullen zien hoe dit afloopt; voorlopig doen de Duitsers misschien mee, de rest van de wereld denkt er nog over na.

In elk micro tekstboek staat ie wel: de backward bending supply curve of labour. Het idee: als lonen stijgen kan het inkomenseffect zo groot zijn dat door dat hogere inkomen mensen besluiten meer vrije tijd te nemen. Hoge lonen leiden dan tot een lager arbeidsaanbod en dat is vreemd.

Prachtig verhaal op de Amerikaanse Publieke Radio. [via] Op het eiland Kiribati, ergens in de Pacific, doet men in essentie twee dingen: vissen en kokosnoten plukken. Om overbevissing en de daarmee gepaard gaande vernietiging van het koraalrif te voorkomen, werd besloten het plukken van kokosnoten te subsidiëren. Als mensen meer kokosnoten gaan plukken gaat men minder vissen en dat is goed voor het koraalrif, zo was het idee. Slim bedacht.

Helaas. De overbevissing werd alleen maar erger. Wat was er aan de hand? Inderdaad, de terugbuigende arbeidsaanbodcurve. Vanwege het hogere loon werden er minder kokosnoten verzameld en koos de bevolking voor meer vrije tijd. En wat ging men doen in die vrije tijd? Vissen.

De beleidsimplicaties zijn even pijnlijk als voor de hand liggend. Een kokosnotenbelasting zal ervoor zorgen dat die arme Kiribatianen(!?) zo hard moeten werken dat ze amper nog aan vissen zullen toekomen.

De meeste van onze lezers zullen bekend zijn met het boek Freakonomics. Gisteren verscheen dan eindelijk de langverwachte opvolger, met de nog tenenkrommender titel Superfreakonomics. Wanneer de Nederlandse versie uitkomt is ons niet bekend.

Volgens Tim Harford is het boek beter dan zijn voorganger. Op internet is al enorme ophef ontstaan over het laatste hoofdstuk, over het broeikaseffect, dat ook al online circuleert [pdf]. Lees bijvoorbeeld Joshua Gans, of opnieuw Tim Harford, of de heren zelf.

Dit ingezonden artikel in de Volkskrant werpt een kritische blik op de milieuwinst die we boeken als Nederlanders massaal in een elektrische auto gaan rijden. De redenatie is als volgt: door olie te verstoken kun je energie opwekken, in de vorm van beweging en warmte. Een dieselmotor zet ongeveer 40% van de energie om in beweging. Bij een elektrische auto gaat het via meerdere schakels: een energiecentrale maakt stroom, de auto sleept die in 200 kilo accu mee en maakt beweging. Eindafrekening: 35% van de energie in de olie komt in de wielen terecht.

Als we alleen maar elektriciteit maakten uit olie dan was de kous daarmee af: de elektrische auto gaat minder efficiënt om met energie. Voor zover vervuiling op de ene plaats erger is dan op de andere is er winst te boeken (geen diesels in oude stadscentra, bijvoorbeeld) maar op het gebied van CO2 niet.

Er is natuurlijk ook stroom uit windenergie. Maar de schrijver geeft aan dat wat hem betreft de marginale productie uit olie komt:

die duurzame stroom wordt eenvoudig weggehaald bij de andere elektriciteitsgebruikers. Er wordt namelijk niet meer wind-, zonne- of andere elektriciteit opgewekt bij de aankoop van een elektrische auto. Uiteindelijk moet de elektriciteit voor die auto’s gewoon uit centrales komen.

Hier ben ik het niet helemaal mee eens. Op de korte termijn is dat misschien waar, maar als grote groepen elektrisch gaan rijden zal er een uitbreiding van de capaciteit moeten komen. Dat kan best op een duurzame manier gebeuren. Er is echter een ander probleem. De uitstoot van CO2 wordt alleen voorkomen als de olie die wij minder verstoken dankzij de elektrische auto, niet elders opgebruikt wordt. Om de uitstoot echt te verminderen moet de olie in de grond blijven zitten. En dat is zeer onwaarschijnlijk. Zelfs bij een compleet succes en een sterk afgenomen vraag naar olie uit Nederland (of voor mijn part uit Europa) heeft dat tot gevolg dat de olieprijs daalt, of minder snel stijgt, en andere landen hun verbruik vergroten. Alleen voor zover de lagere olieprijs leidt tot minder exploratie is er milieuwinst geboekt. Daar staat tegen over dat een (verwachte) lagere prijs leidt tot een sneller oppompen van de huidige voorraden.

De sloopregeling (of, in Haags p.r. jargon: de schone-lucht premie) is er. Wie een oude auto inlevert en krijgt een bedrag tussen de €750 en de €1.000 korting op de aankoop van een nieuwe. De oude auto moet dan wel gesloopt worden, wat betekent dat we de slooppremie moeten afzetten tegen de inruilprijs die de auto nog opbrengt.

De volksmening bij de Telegraaf is daarom dat deze premie te laag is. Iedere dealer geeft altijd €1.000 inruil op alles wat rijdt, is de heersende mening. Maar wie wel eens een auto gekocht heeft weet ook dat die inruil vaak fictief is: wie niets inruilt krijgt opeens een aantrekkelijke korting aangeboden.

Er zal dus wel wat gesloopt worden dankzij deze premie. Dat is goed voor de autodealers, die het moeilijk hebben, en voor de fabrikanten (dat laatste is het weglekeffect). De hogere efficiëntie van de nieuwe auto maakt dat de uitstoot in Nederland vermindert (mits bezitters niet méér gaan rijden in de nieuwe kar) maar zoals Willem Buiter al opmerkte is het totale milieu-effect negatief. Een nieuwe auto moet immers ook geproduceerd worden. Andere verliezers zijn de gebruikelijke afnemers van oude Nederlandse auto’s, de inwoners van Oost-Europa en Afrika. Zij zien het aanbod tijdelijk opdrogen.

Persoonlijk word ik soms een beetje moe van al die oproepen tot maatschappelijk verantwoord ondernemen, u weet wel, dat ritueel waarbij bedrijven met droge ogen beweren dat het hen helemaal niet om de winst te doen is maar om een Betere Wereld, en pressiegroepen dat vervolgens al dan niet geloven en op basis daarvan beweren al dan niet van de diensten van dat bedrijf gebruik te maken.

Neem nu de kwestie van de nieuwe huisbank van de Nederlandse overheid. Inderdaad, dat is de Royal Bank of Scotland geworden. Oxfam Novib vindt dat ongelukkig, en bankenexpert Peter Ras van die club staat al met een vingertje te wapperen:

Uit omvangrijk, internationaal onderzoek blijkt dat de bank slecht scoort op duurzaamheid; slechter dan de huidige huisbanken Rabobank en ING. Zo investeert RBS veel in olie en gas en nauwelijks in zonne- en windenergie.

Maar waarom en sinds wanneer is het verwerpelijk om in olie en gas te investeren!? Volgens mij zijn dat doodnormale en door iedereen geaccepteerde produkten. Goed, ze zijn vervuilend, maar als Oxfam Novib daar iets aan wil doen ligt het veel meer voor de hand om te pleiten voor een Pigou-belasting.  Als meneer Ras ‘s ochtends zijn verwarming aanzet, een kopje thee zet en vervolgens in zijn auto stapt, dan is dat allemaal alleen mogelijk bij de gratie van banken en individuen die ooit in olie en gas hebben geinvesteerd. En wat is daar maatschappelijk onverantwoord aan!?

Overheden bemoeien zich soms met markten als er een nieuwe standaard moet worden gezet, en soms zelfs met succes. Zo wordt de gezamenlijke keuze van Europese overheden voor GSM vaak aangehaald als reden dat mobiele telefonie in Europa veel succesvoller is dan in de VS.

De EU dreigt nu opnieuw in te grijpen in de markt voor mobiele telefonie, met een poging de opladers te standaardiseren. Dat kan interessante concurrentie-effecten hebben. Een standaard oplader maakt het eenvoudiger over te schakelen naar een concurrende telefoon, waardoor de concurrentie scherper wordt. Anderzijds: mobieltjesmakers lijken vooral te verdienen op onfortuinlijken zoals ik die hun oplader kwijt raken en vervolgens worden gedwongen tegen absurde woekerprijzen een nieuwe aan te schaffen. Vervalt die inkomstenbron, dan zouden de prijzen van de telefoons zomaar omhoog kunnen gaan, al lijken de netto welvaartseffecten me dan nog steeds positief.

Het blijkt de EU echter niet om concurrentie te gaan, maar om het milieu. Als elke telefoonmaker dezelfde oplader gebruikt, hoeven er minder te worden weggegooid, is de redenering. Het lijkt mij dat dat effect verwaarloosbaar is ten opzichte van het concurrentie-effect waar niet op in wordt gegaan.

Overigens staan hier meer kritische kanttekeningen.

Iemand die Googlet op de zoektermen “broeikaseffect” en “CO2-uitstoot” veroorzaakt zelf 7 gram extra CO2 in de lucht, aldus een recent onderzoek.

Harvard-wetenschapper Alex Wissner-Gross rekende uit wat de gezamenlijke CO2-uitstoot van Googles datacentra zou zijn en deelde dat op het aantal gebruikers. Hij concludeert daaruit dat een keer Google’en evenveel broeikasgas oplevert als het zetten van een halve pot thee.

Dat is allemaal mooi, maar moet ik me hier als individuele gebruiker nu slecht over voelen? Het antwoord is natuurlijk nee, omdat de onderzoeker geen onderscheid maakt tussen de gemiddelde kosten (die hier worden uitgerekend) en de marginale kosten.

Vergelijk het met die andere milieuvervuilende activiteit, een reisje met het vliegtuig. Als ik vandaag besluit geen tickets meer te kopen dan werk ik niet meer mee aan de CO2-uitstoot van vliegtuigen. Tegelijkertijd neemt die uitstoot niet af, omdat het zeer onwaarschijnlijk is dat er door mijn besluit ook maar één vliegtuig minder vliegt. Idem voor zoekopdrachten. Het datacentrum staat er en stoot CO2 uit, ongeacht mijn beslissing wel of niet te zoeken. Het marginale effect is nul. Natuurlijk, als iedereen minder ging zoeken waren er minder datacentra nodig. Maar voor de individuele zoeker is die overweging irrelevant.

Overigens brengt het antwoord van Google nog een belangrijk gegeven in beeld: zelfs al was de marginale uitstoot 7 gram, de vraag is hoe het eerste alternatief milieutechnisch uit zou pakken. Een autorit naar de bibliotheek, misschien?

Door slim om te gaan met cijfers kun je alles aannemelijk maken. Onze vaste lezers weten dat inmiddels. Neem nu klimaatverandering. Het probleem wordt ook elk jaar weer erger. Tenminste, dat zou je wel denken als je vanochtend de krant openslaat

Wereldtemperatuur ook dit jaar weer hoger

kopt de Telegraaf bijvoorbeeld. Hoezo?

De wereldtemperatuur is ook dit jaar weer gestegen. Met een afwijking van 0,31 graden boven het langjarig gemiddelde staat 2008 op de tiende plaats op de lijst van warmste jaren in de afgelopen anderhalve eeuw. Dat heeft het KNMI dinsdag bekendgemaakt.

Wie echter naar het grafiekje bij het KNMI-bericht kijkt, ziet toch een ander beeld. Natuurlijk, 2008 was warmer dan gemiddeld. Maar 2008 was kouder dan 2007. En 2007 was kouder dan 2006. En 2006 kouder dan 2005. Dat de temperatuur in 2008 “ook weer hoger” is, is dus op z’n zachtst gezegd nogal misleidend. Sterker nog, 2008 was het koudste jaar sinds 2000.

Maar ja, “2008 koudste jaar van deze eeuw” is blijkbaar niet het beeld dat het KNMI en de media graag willen overbrengen.

Klimaatverandering is een groot probleem, dat weet ik ook wel. Maar dat is nog geen reden voor suggestieve berichtgeving.

Update: De BBC brengt het nieuws wel op onze manier.

De Nederlandse consument gooit jaarlijks 600 kilo voedsel weg. In deze tijd van schaarste is dat misschien wel iets om je zorgen over te maken, en dus verschijnt met enige regelmaat een rapport of een oproep. De opstellers hiervan hebben een zeer lage dunk van hun publiek, dat door hen vaak wordt neergezet als niet in staat om de kosten van hun verspilling te overzien. Gelukkig is er een helpende hand:

Zo kunnen burgers op de website een voedseltest downloaden om over een periode van twee weken in te vullen wat er zoal wordt weggegooid. Deze gegevens kan men later op de site invullen, waardoor de burger inzage krijgt wat het op jaarbasis kost. “Gemiddeld zo’n zestig euro per persoon per jaar”.

Tjonge jonge. Het is natuurlijk ook mogelijk dat de gemiddelde burger liever 60 euro misloopt dan twee weken lang zijn afval te administreren. Een keuze die, voor drukke mensen met een hoog uurloon, misschien niet eens zo gek is.

Het is al met al een typisch economisch probleem. Voedsel is schaars, tijd is schaars, winkelen gebeurt onder onvolledige informatie. De beste manier om deze problemen zo goed mogelijk op te lossen is door het prijsmechanisme zijn werk te laten doen. Hoe duurder het voedsel immers, hoe minder men ervan weg zal gooien. Dat leidt er ook toe dat soms wél voedsel wordt weggegooid, maar dat is dan een afruil: wie veel tegelijk inkoopt bespaart tijd (en benzine) maar moet soms iets weggooien. Het lijkt erop dat deze afruil door degenen die zich druk maken over voedselverspilling vaak niet gezien wordt. Weggooien is voor hen per definitie fout.

Met alles wat we weten over consumenten en prikkels kunnen we er een redelijk vertrouwen in hebben dat huidige situatie helemaal niet zo inefficiënt is, mits de prijzen van voedsel en van de consument z’n tijd niet verstoord worden. De kosten van het weggegooide voedsel zullen opwegen tegen de gewonnen tijd en brandstof.

Prijzen zijn onder meer verstoord als er een extern effect meespeelt. In dit stuk speelt de CO2-uitstoot die rol: wie een krop sla weggooit werkt mee aan het broeikaseffect, en dat zit niet verwerkt in de prijs van de sla. Doe daar dan iets aan, zou je dan zeggen. Maar verstoringen zitten er ook aan de andere kant: het netto uurloon van een consument is een stuk lager dan de maatschappelijke baten van een uur extra werken. Het is dus maar de vraag waar de werkelijke balans tussen tijd en afval ligt.

Volgende pagina »