Prijsdiscriminatie


Economen hebben een probleem als ze het inkomen in twee landen met elkaar willen vergelijken. Verschillende landen gebruiken vaak verschillende valuta en de wisselkoers weerspiegelt lang niet altijd de correcte relatieve waarde van die valuta. Daarom wordt gebruik gemaakt van Purchasing Power Parity: de wisselkoers waarbij de valuta dezelfde koopkracht hebben. In de praktijk komt dat neer op het bepalen van een mandje met goederen die de gemiddelde inwoner van het gemiddelde land consumeert, uitrekenen wat dat mandje in elk land kost, en op basis daarvan de ware wisselkoers bepalen.

Inderdaad, een heel gedoe. The Economist kwam daarom twintig jaar geleden met een mandje waarvan de waardebepaling een stuk eenvoudiger is: de Big Mac. Dat was niet eens zo’n gek idee, vooral omdat de onderdelen van een Big Mac meestal lokaal worden geproduceerd. De kosten van het produceren van een Big Mac zijn dus een redelijke afspiegeling van het prijsniveau in een land, en zolang McDonald’s de prijs van een Big Mac baseert op de productiekosten, is ook de prijs van een Big Mac een niet onaardige weerspiegeling van het algehele prijsniveau. Sterker nog, wetenschappelijk onderzoek laat zien dat de Big Mac Index een verrassend goede voorspeller is van wisselkoersbewegingen.

Na de Big Mac Index introduceert een Australische bank nu de iPod Index, waarin de lokale prijzen van de 2 GB iPod Nano met elkaar vergeleken worden [via]. Helaas is zo’n iPod Index helemaal geen goed idee. (meer…)

Het is natuurlijk vreselijk, die flessen siroop waar mogelijk glassplinters in terecht zijn gekomen. Maar de website met de teruggeroepen producten (mirror) biedt wel een unieke blik in de wereld van het huismerk. Kijk toch eens onder welke namen dezelfde flessen oplossiroop allemaal verkocht worden: ik tel er 23, en als de glasscherven enige indicatie zijn komen ze allemaal uit dezelfde ketel.

Het is een ongebruikelijk kijkje achter de schermen bij de grote poppenkast van de voedselmarketing, waar Tim Harford onlangs nog een column aan wijdde. Vrijwel altijd gaat achter een woud van merken en varianten slechts een klein aantal producten schuil. De marketing is bedoeld om ervoor te zorgen dat klanten die meer willen betalen niet per ongeluk de goedkope versie aanschaffen.

Is de consument hiermee gediend? Wellicht, als de aanschaf van een duurder product leidt tot een groter gevoel van tevredenheid. Maar één conclusie kunnen we wel trekken: blijf nooit bij een supermarkt vanwege het uitstekende huismerk.

Eerder deze week werd bekend dat het CDJA de seniorenpas wil afschaffen. Ouderen worden immers steeds rijker en daarom is deze pas niet langer nodig. De afschaffing van de seniorenpas kan de overheid tientallen miljoenen euro’s per jaar opleveren, denken de jongeren. Helaas. Dat is waarschijnlijk niet het geval. Sterker nog, afschaffing van de kaart kon wel eens geld gaan kosten.

Hoezo? Neem het openbaar vervoer. Een monopolistische buslijn zou graag willen prijsdiscrimineren. Consumenten met een lage prijselasticiteit moeten dan een hogere prijs betalen dan consumenten met een hoge prijselasticiteit. Op die manier kan een monopolist nog meer winst halen dan wanneer hij iedereen dezelfde prijs in rekening brengt. Bejaarden zijn typisch zo’n groep met een hoge prijselasticiteit. Hun vraag naar openbaar vervoer zal immers veel sterker afhangen van de prijs, dan de vraag van mensen die voor hun werk met de bus heen en weer moeten. Zelfs als het rijke bejaarden zijn. Het plan van het CDJA komt neer op een situatie waarin het busbedrijf niet meer mag prijsdiscrimineren. In het geval van een monopolist betekent dat een lagere winst. In het geval van openbaar vervoer zou dat wel eens kunnen leiden tot minder inkomsten van passagiers, en dus hogere subsidies om de bussen in de lucht te houden.

De denkfout lijkt dat het CDJA impliciet veronderstelt dat ouderen net zo veel gebruik van het openbaar vervoer blijven maken als de prijs verdubbelt. Natuurlijk is dat niet het geval.

(Dank aan Pim voor de tip)

« Vorige pagina