Examen

Na het havo-examen was het deze week tijd voor het VWO examen economie. De liefhebber vindt het hier [pdf], wie er niet uitkomt vindt hier de uitwerkingen.

Snelle indruk: veel vragen over het interpreteren van de betekenis van cijfers (op zich nuttig), buitensporig veel macro en openbare financien, en zelfs de vragen over micro beperken zich tot mechanische begrippen zoals prijselasticiteit. Prikkels komen nauwelijks voorbij, toch een niet onbelangrijk onderdeel van ons vakgebied. Denken als een econoom lijkt wat dat betreft vrij onbelangrijk. Behalve misschien in de laatste vraag, dat is een aardige, over wanneer en waarom binnenlandse producenten zich tegen een invoertarief zullen verzetten. Verder: werkloosheid is inderdaad een belangrijk onderwerp, maar muggenziften over de verschillen tussen structuur- en frictiewerkloosheid (opgave 1), lijkt me tot weinig inzicht over die kwestie te leiden.

Het economiexamen

Och, de moderne tijd. Gisteren was het eindexamen economie voor de HAVO en nu al kunnen wij een exemplaar downloaden [pdf] voor een korte inspectie.

Voor wie is opgegroeid met economieles waarin het hoogtepunt het uitrekenen van de multiplier was is dit examen een verfrissend proefwerk. Van die oude stof is alleen iets te zien bij de vragen over structuur- en conjunctuurwerkloosheid. Wat wel opvalt is dat ongeveer de helft van de opgaven in feite rekenwerk zijn (“redactiesommen” zeiden wij vroeger) en niet zoveel met economie te maken hebben. De opdracht om een opinieartikel over marktwerking te schrijven vond ik zeer verrassend. Lastiger te beoordelen dan de sommetjes, maar wel relevant.

Alleen dit: Gebruik voor het vervolg van het artikel 120 woorden; een afwijking van 20 woorden is toegestaan. Wat is dat nou weer voor een budget constraint? Maandag het VWO.

Lagere cijfers voor het eindexamen

Als alleen wordt gekeken naar het centraal schriftelijk examen, zou rond een kwart van de leerlingen in het voortgezet onderwijs zakken. In werkelijkheid zakt slechts zo’n 10 procent. Dat verschil zit ’em in het schoolexamen, dat meestal hogere cijfers oplevert dan het centraal schriftelijk.

Het systeem is bekend aan iedereen die eindexamen heeft gedaan. In het laatste jaar wordt de leerling door de school getoetst (heette dat niet het schoolonderzoek?) en krijgt daarna het centraal schriftelijk afgenomen. Volgens dit bericht is het zo dat scholen hun leerlingen een makkelijke toets geven om de slagingskans te verhogen. Dit zou blijken uit het lagere gemiddelde eindexamencijfer.

Hier staan de working papers, die wat mij betreft verre van overtuigend zijn. De onderzoekers meten netjes de gemiddeldes van beide soorten examens en toetsen op een verschil. Maar dat veronderstelt dat de leerlingen op het centraal schriftelijk net zo hard hun best doen als op de schoolexamens. Als een leerling minder hard zijn best doet op het, latere, eindexamen zou dat ook de lagere cijfers kunnen verklaren zonder dat er een verschil is in moeilijkheid.

Waarom zou een leerling dat doen? Ik kan wel twee redenen bedenken:

  • De zesjescultuur. Wie een zeven staat voor scheikunde mag op het eindexamen een vijf halen. Leerlingen die zich op die manier op hun gemak gesteld voelen studeren minder hard.
  • Selectieve aandacht. Stel een leerling is slecht in wiskunde en staat daar onvoldoende na het schoolexamen. De rest van de vakken staan voldoende. De leerling bestudeert alleen nog maar het wiskundeboek en sleept er een zes uit. Door de verminderde aandacht gaat het bij de rest van de vakken niet goed.

In beide gevallen is het eindexamencijfer minder hoog dan dat voor het schoolexamen. Ach, u weet het wel, endogeen gedrag. Wie dus echt iets wil bewijzen over het niveau van schoolexamens moet naar individuele cijfers (per leerling, per vak) kijken.