Het reuzenrad

Hier om de hoek, vlak bij de waterkant, staat een reuzenrad te draaien. Het tilt je voor een tientje tot ongeveer halverwege de kantoorgebouwen die ernaast staan. Toch is het uitzicht niet slecht, en loopt de attractie best aardig. Een stukje Neerlands trots, gebouwd door een bedrijf in Vlodrop.

Dit vredige tafereel werd onlangs verstoord door de gemeenteraad, die het nodig vond om het terrein rondom het rad opnieuw te veilen. De winnaar was een andere partij, die van plan was om op dit stukje land, jawel, een reuzenrad uit te baten.

En zo kwamen we terecht in de mooie situatie van de enkele koper en de enkele verkoper. Allicht is het voor alle partijen beter om het oude rad te laten staan en een goede prijs te maken, maar wat is een goede prijs? Zoals we eerder schreven op deze site, in een dergelijk geval is het maar de vraag of je meer hebt aan economie of psychologie. Het is een kwestie van goed onderhandelen.

En dat deden de partijen. Het rad wordt donderdag afgebroken, stelde de krant maandag. We wilden toch al liever een kleiner rad, had de koper de dag ervoor laten optekenen. Bekende zakenlui bemoeiden zich met de zaak; de gemeenteraad sprak dreigende woorden. Inmiddels werden de graafmachines al in gereedheid gebracht.

Totdat gisteravond, uren voor de deadline, het rad van eigenaar wisselde. Voorspelbaar, maar de quotes na afloop zijn kostelijk. “Het was niet makkelijk”, aldus de koper. “Er is in deze stad nog niet eerder een reuzenrad verkocht.” Een gemeenteraadslid wil een commissie om deze toestand in de toekomst te voorkomen. En de verkoper gaf toe dat hij, ondanks zijn sloopplannen, al het personeel in dienst had gehouden.

Hier komt de storm

Buiten vliegt een vuilnisbak door de lucht. Het strand is overgenomen door de zee en op de kustweg voor ons huis ligt een boom. De zware tropische cycloon Hato trekt langs Hongkong en hoewel we comfortabel binnen zitten, is het goed voor te stellen dat de schade buiten aanzienlijk moet zijn. Als de wind later op de dag weer gaat liggen, begint meteen het opruimwerk. De boom wordt in stukken gezaagd en afgevoerd, het strand ontdaan van de aangespoelde troep. De vuilnisbak blijft spoorloos.

Hoe groot is de schade van zo’n langstrekkende tyfoon? Uiteraard is er van alles stuk, hoewel de fysieke verwoesting uiteindelijk mee lijkt te vallen. Dankzij een uitgebreid waarschuwingssysteem wist iedereen ver van tevoren dat de storm eraan kwam. Maar daardoor heeft de economie in stad ook een dag lang stilgelegen. Ik kreeg om 7 uur een SMS dat ik niet verwacht werd op mijn werk (alweer). De straten waren uitgestorven, de winkels dicht. In de krant komen de volgende ochtend experts aan het woord die het erop houden dat er tussen een halve en een hele dag BBP verloren gegaan is.

Maar dat lijkt wat simpel. Het is goed mogelijk dat het bruto binnenlands product juist stijgt als gevolg van de storm. Er zijn relatief weinig activiteiten die afgelast zijn in plaats van uitgesteld, en de opruim- en herstelwerkzaamheden leveren een hoop extra productie op. Dat is een goede les voor degenen die BBP als maat voor de welvaart gebruiken, want van het herstellen van iets dat er gisteren nog stond maakt je netto niet veel beter af.

Maar hoe groot is het effect of productie dan precies? Toen vijf jaar geleden New York werd geraakt door superstorm Sandy, konden economen van de Fed later maar moeilijk een effect in de Amerikaanse BBP-groei ontdekken. Er zit al zoveel ruis in de groei dat een storm meer of minder daar niet veel aan verandert. Wellicht dat de gevolgen beter in beeld komen als we kijken naar het gemiddelde effect van een heleboel stormen. Interessant genoeg bestaat er inderdaad werk van twee Amerikaanse economen die data over alle tropische cyclonen tussen 1950 2008 combineren met gegevens over economische groei tijdens, en na, iedere storm.

Daaruit blijkt dat de gevolgen van een cycloon aanzienlijk, negatief, en langdurig zijn. Tot 15 jaar na de gebeurtenis is de groei lager dan in het geval er geen storm geweest zou zijn. Zie de grafiek hieronder, met op de verticale as de intrigerende eenheid BBP per persoon per meter per seconde (die laatste twee gaan over de windsnelheid).

Achterin het artikel staat een tabel met de potentiële economische groei van verschillende landen, als er nooit meer een storm langs zou komen. Hongkong zou, volgens dit lineaire model, met 14% in plaats van 4% per jaar kunnen groeien. Dat lijkt wat gortig, en misschien wordt hier een lijntje iets te ver doorgetrokken. Maar zeker zullen we het toch niet weten. Zondag komt de volgende tyfoon.

Golden Hill

Gedurende zo’n 40 jaar in de zeventiende eeuw lag op de zuidpunt van het eiland Manhattan de Nederlandse stad Nieuw Amsterdam. Tijdens één van de talrijke Nederlands-Engelse oorlogen verloren we dit gebied aan de Britten. Op andere continenten veroverden we juist terrein, waardoor men soms zegt dat Nieuw Amsterdam is geruild voor Suriname en het eiland Run.

Hoe dan ook, onder Engels bewind waren er nog behoorlijk wat Nederlanders in (inmiddels) New York. Dat zij hun sporen in de stad hebben achtergelaten is bekend; in de bebouwing en zelfs nog in de taal, zoals in het mooie New Yorkse woord stoop (voor, inderdaad, de stoep).

Ik vertel dit allemaal als achtergrond bij het leukste boek dat ik deze vakantie las, Golden Hill van de Brit Francis Spufford. Het boek speelt in 1746, als New York al zo’n 80 jaar Brits is, dertig jaar voor de onafhankelijkheid. Het is een boek voor Nederlanders en economen, en zeker voor mensen die allebei zijn. Het grote plot draait om geld, en de manier waarop dat tussen Londen en de kolonie verplaatst wordt. Er is geen centrale bank in New York, een gebrek aan edelmetaal en toch wordt er fors handel gedreven. Hoe dat allemaal werkt (en niet werkt) is fascinerend en geeft aanleiding tot grote plotwendingen. Zie hier voor een voorproef. Dat vertrouwen een essentiële rol speelt in geldzaken is in de 18e eeuw een stuk duidelijker dan vandaag. De economische logica in het boek is prima in orde, net zoals in Red Plenty, van dezelfde auteur zeven jaar geleden.

En dan de Nederlanders. Ze spelen een grote rol in het zakenleven van New York in 1746, en de beschrijvingen van onze landgenoten zijn treffend. De manier waarop een humoristisch Sinterklaasgedicht compleet verkeerd valt bij het slachtoffer is uit het leven gegrepen.

Een aanrader dus, voor wat er nog rest van de zomer. Wie liever Nederlands leest kan wachten op de vertaling, die komt in November. Mooi op tijd voor Sinterklaas.

Marsmonopolie

Over een jaar of tien is de ruimtevloot van SpaceX zover dat een vakantie naar Mars er eindelijk in zit. Althans, dat is de conclusie van dit enerverende stuk over de plannen van Elon Musk en zijn rakettenfabriek. Misschien nog wel opwindender is het geplande prijskaartje: voor een kleine 2 ton (USD) or less kunt u naar de rode planeet.

Ik trapte er zelf ook even in, door uit te rekenen of ik op tijd het kapitaal bij elkaar kon hebben. Maar de ingenieur Musk geeft hier waarschijnlijk zijn mening over de verwachte de kostprijs van een ritje naar Mars. Nog afgezien van de onvermijdelijke tegenvallers de komende 10 jaar lijkt het erop dat SpaceX in 2027 de enige aanbieder van reizen naar Mars zal zijn. Een ruimtemonopolist, dus, die zich goed op de hoogte zal stellen van de vraagcurve naar zijn product. Reken er maar op dat die 2 ton een paar keer over de kop gaat.

Statistiek in tijden van computers

Even een korte econometrische excursie op deze economie-site. De praktische wetenschap van de statistiek, in de 19e eeuw begonnen door onder meer de Belg Quetelet (smulpapen kennen zijn index), werd tot de jaren ’50 steeds meer een tak van de zware wiskunde. Met de opkomst van de computer en steeds grotere datasets draaide de focus weer naar de praktijk. Zo ongeveer als in deze figuur:

Ik haal deze wijsheid (en de figuur) uit Computer Age Statistical Inference, een dikke pil die als geroepen komt voor gevallen econometristen zoals ikzelf, die hopen eindelijk eens uit de hoek linksonder te ontsnappen. Het is moeilijk om auteurs te vinden die een beter boek over dit onderwerp kunnen schrijven dan Efron en Hastie. Had ik al gezegd dat het gratis te downloaden is?

Tja, dat is publiceren in tijden van computers. Het blijft een wonderbaarlijk fenomeen. [via Diebold]

Economentaal

Bas Haring schrijft op MeJudice dat economische inzichten het beste aan de man gebracht kunnen worden met behulp van woorden, in plaats van wiskunde. Wiskundige modellen en statistiek hebben een rol, maar zouden niet leidend moeten zijn. Simpele inzichten kunnen beter door tekst worden overgebracht.

Dat doet denken aan de campagne van Wereldbankeconoom Paul Romer tegen “mathiness”, waarmee hij de praktijk aanduidt om wiskunde te gebruiken om wazige ideeën te laten lijken op harde wetenschap. Daarbij ergert hij zich vooral aan het verschijnsel dat verschillende economische scholen voortbestaan, ieder met een eigen waarheid en een eigen model, zonder dat er zicht is op een eindoordeel.

Daar konden nog wel eens problemen van komen, en inderdaad: lees hier Tim Harford over de rel die rondom Romer ontstond toen hij probeerde de economen van de Wereldbank bij te scholen. Een verrassende wending is dat Romer zich in dit geval niet boos maakte om de wiskunde, maar juist om het nietszeggende proza van de Bank. Daar had hij trouwens wel gelijk in: dit taalkundige rapport laat mooi zien hoe de Wereldbankrapporten over de jaren steeds waziger werden. Desondanks is Romer, als dank, uit zijn managementfunctie ontheven.

Mooie boel: wiskunde maakt het te moeilijk, en ook in de tekst kunnen economen niet altijd overreden. Al eerder meldden we dat Paul Krugman tot vergelijkbare inzichten kwam. Dat bericht eindigt met wat optimistische ideeën over mogelijke oplossingen. De pessimistische invalshoek is dat er nu eenmaal goede en slechte economen zijn, en dat voor meesterschap een zeldzame combinatie van talenten nodig is. De rest van de beroepsgroep moet helaas voortploeteren, in moeilijk te begrijpen tekst of vergelijkingen.

U kunt vandaag helaas niet werken

Vrolijke verjaardag van de Boeddha! Ik moet toegeven dat ik in het verleden de achtste dag van de vierde maand van de Chinese maankalender wel eens vergeten ben, maar toen ik er gisteren een vrije dag voor kreeg stond het mij ineens weer helder voor de geest. En het was nog maar zo kort na de dag van de arbeid, ook al een vrije dag.

Het jaar telt 17 publieke feestdagen in Hongkong, aanmerkelijk meer dan de 9 die Nederland er viert. Wat niet wil zeggen dat er hier minder gewerkt wordt; waar Nederland qua gewerkte uren doorgaans onderaan bungelt, duurt de werkweek in deze stad het langst. Het verschil zit ’m dus in het individueel of collectief vrij zijn.

Het kiezen tussen een verplichte vrije dag en een vrije dag die je zelf mag plannen, blijkt nog niet zo simpel. Volgens mijn economische intuïtie is meer keuzevrijheid altijd goed, en zijn verplichte vrije dagen daarmee suboptimaal. Maar ideeën over een extra verplichte vrije dag op 5 mei zijn populair in Nederland, en in het VK hoopt Labour de verkiezingen te winnen met maar liefst vier extra vrije dagen.

Wellicht denken mensen dat de extra vrije dagen gratis zijn, in de zin dat er voor hetzelfde geld minder gewerkt hoeft te worden. Mijn ervaring is eerder dat het werk zich niets aantrekt van de vrije dag, en er op andere dagen gewoon een extra hoeveelheid taken wacht. Hoewel dat niet voor iedereen zo zal zijn (of loopt de lopende band na een feestdag harder?), denk ik dat het voor de meeste mensen wel zo werkt. Bovendien ligt het macro-economisch moeilijk om minder te produceren maar wel evenveel te verdienen.

Het meest in het oog springende nadeel van collectief vrij zijn, is dat het bovengemiddeld druk wordt bij gelegenheden waar mensen op een vrije dag naartoe gaan. Gisteren was het druk op stranden, veerboten en in winkelstraten. Bij een zelfgekozen vrije dag is het waarschijnlijker dat de drukte zich spreidt. Voor bazen geldt dat de tent dicht moet, iets dat minder waarschijnlijk is als personeel zelf vrije dagen kiest. En daar bovenop komt nog het probleem dat sommige wekelijkse diensten opeens een week overslaan.

Maar er zijn ook voordelen aan het collectief vrij zijn. Het is een oplossing voor het coördinatieprobleem dat optreedt als vrije dagen niet centraal geregeld worden: hoe spreek je af met vrienden en bekenden? Duitse economen rekenden uit dat het keeping in touch effect minstens een stuk of 17 verplichte feestdagen waard is. En door gecoördineerde vrije dagen is het ook waarschijnlijker dat iedereen er wél is op de rest van de dagen, wat samenwerken makkelijker maakt. Een derde reden is het feit dat een publieke vrije dag geen schuldgevoel, of slecht signaal, opwekt bij degene die niet op de zaak is. En het overkomt mij nog wel eens dat ik verrast wordt door de verplichte vrije dag, wat het op de een of andere manier ook leuker maakt.

Het optimale aantal publieke vrije dagen is waarschijnlijk meer dan in de VS (ook 9) en minder dan Sri Lanka (25). Ligt 17 dicht bij het optimum? Vraag het mij na het Tuen Ng Festival en Establishment Day.

[Kruispost vanaf ESB. Eerder op deze site]

De overheid en het territorium

In de publieke economie is de overheid het resultaat van mensen die zich organiseren om dingen voor elkaar te krijgen. Dingen die ze alleen niet kunnen: (gelijke) regels vaststellen en handhaven voor iedereen, publieke goederen en diensten aanbieden, disputen oplossen. En in een goed werkende democratie is dat inderdaad wel ongeveer wat de overheid doet.

Op onze wereld zijn overheden bijna zonder uitzondering gebaseerd op territorium: binnen de landsgrenzen is één overheid de baas. In zekere zin een logisch systeem: wie bij elkaar in de buurt woont valt onder dezelfde regels en gebruikt dezelfde publieke goederen. En het zijn ook vaak die mensen waar je een dispuut mee hebt.

Wie als burger een andere overheid wil hebben moet dus verhuizen. Naar een land met wellicht een minder prettig klimaat, en zonder vrienden en kennissen. Is dat niet een wat achterhaald systeem? Voor bedrijven geldt allang dat ze de overheid (of: het belastingregime) kunnen kiezen dat ze het beste bevalt. Meer dan een brievenbus is er niet voor nodig.

Wanneer zou je als burger van overheid kunnen wisselen zonder te moeten verhuizen? Mij lijkt dat daar nog wat technische ontwikkeling voor nodig is, die het mogelijk maakt om je veiligheid en eigendom zelf af te dwingen, maar niet veel meer. Zou een  keuze voor een eigen overheid niet passend zijn in deze tijd van maatschappelijke tweedeling?

Maar misschien onderschat ik het probleem. Ik besloot het voor te leggen aan Tyler Cowen, de econoom achter het weblog Marginal Revolution (één van de weinige economie-blogs die al langer bestaat dan deze).

Het antwoord staat hier. Cowen komt met een lijst van overheidsdiensten die volgens hem moeilijk van afstand af te nemen zijn: politie, wegen (en water, stroom en de school – hoewel mij die toch wel verhandelbaar lijken). Het hete hangijzer is natuurlijk de sociale zekerheid en de directe belastingen. Cowen stelt dat vermogende mensen daar nu al een keuze in hebben door bijvoorbeeld in Monaco te gaan “wonen”. Het enige verschil is dat ze er dan nog minder dagen per jaar door hoeven te brengen.

Cowen verwacht dat de meeste mensen, ook als ze de mogelijkheid van een andere overheid hebben, niet zo snel zullen wisselen. Uit honkvastheid, of nationalisme. Dat lijkt me een onderschatting.

Hoe dan ook, voor wie dit onderwerp net zo interessant vindt als ik, in de 55 comments staan voldoende historische en huidige voorbeelden waar dit idee wel/niet werkt(e). Het enthousiasme is bij de meesten vrij beperkt. Met name wordt het idee gezien als (weer) een mogelijkheid voor rijke mensen om zich aan hun maatschappelijke plichten te onttrekken. Maar misschien is dat typisch Amerikaans.

Lenen bij de cijferbank

De lokale krant schrijft vanochtend over een intrigerende innovatie op een internationale school in Nanjing: leerlingen die zakken voor een examen kunnen punten bijlenen bij een nieuw opgerichte cijferbank. De lening moet wel worden terugbetaald (met rente!) door op een volgend proefwerk méér dan een zes te halen. Het systeem is bedacht in samenwerking met ouders, die werken in de bankensector.

Zoals altijd ontbreken de cruciale details. Worden leningen van tevoren beoordeeld door een kredietafdeling? Moet de terugbetaling gebeuren met punten uit hetzelfde vak? Wat is de rente? En als je eerst een hoog cijfer haalt en dan pas een onvoldoende, staat je hoge cijfer dan ook op de bank?

Maar het idee is stimulerend, omdat opeens een collectie aparte, schaarse, goederen fungibel wordt, dat wil zeggen, verhandelbaar. Onmiddellijk herinner ik mij weer de klasgenoot die alle vakken gemakkelijk kon halen, maar bleef zitten op zijn vier voor Frans. Daar had de cijferbank goed werk kunnen verrichten, helemaal als het Nibud hem in de eerste klas gewaarschuwd had om altijd minstens een 6½ te halen.

Voor zover mijn (stokoude) kennis nog relevant is, kon je in Nederland altijd al compenseren binnen hetzelfde vak – met de gevleugelde uitdrukking “ik mag voor wiskunde een 3½ halen” tot gevolg. Binnen dat systeem is de student slachtoffer van de min of meer willekeurige afbakeningen tussen vakken, waardoor een onvoldoende bij wiskunde A wel gecompenseerd wordt door een hoog cijfer voor datzelfde vak, maar niet door een 10 bij wiskunde B. Dat is pure financiële repressie. Het idee van een cijferbank schetst een wereld waarbij de verhandelbaarheid van cijfers flink toeneemt, met een verhoogde welvaart tot gevolg.

Tenminste. De vraag is natuurlijk of kennis net zo fungibel is als cijfers bij de cijferbank. Wie wil er naar een dokter die zijn vier voor het examen infectieziekten heeft gecompenseerd met een acht voor sportblessures?

Ik neem aan dat tegoeden bij de cijferbank niet overdraagbaar zijn tussen leerlingen. Niet dat ik nou denk dat die ambitieuze Chinese studenten elkaar een beter rapport cadeau gaan doen, maar hoe zou het zijn om je eigen zoon of dochter te laten genieten van het tegoed dat je nog bij de cijferbank hebt staan? Een kleine cijfer-erfenis voor junior.

Niet eerlijk natuurlijk. Maar nu vraag ik mij af waarom we gewone erfenissen dan wel acceptabel vinden.

2016

Ach, verhip, is het alweer 5 januari? Dan krijgt u van mij al een tijdje de statistieken over het voorgaande jaar. 29 berichten, da’s nog steeds geen weekblad maar er zit groei in ten opzichte van 2015. Ook het aantal bezoekers nam weer toe, naar een nieuw record van iets meer dan 925.000 pageviews. Daarvan kwamen er precies 702 via de versleutelde site, waarvoor complimenten.

Er gebeurde genoeg in 2016: we stopten met Elders en gingen over op Twitter, deden en passant een correcte voorspelling, en ik verhuisde naar een ver buitenland. En ik kan natuurlijk  nog uren doorgaan, maar dan verstrijkt de termijn waarop ik u nog behoorlijk het beste kan wensen: een gelukkig en optimaal 2017!