Marsmonopolie

Over een jaar of tien is de ruimtevloot van SpaceX zover dat een vakantie naar Mars er eindelijk in zit. Althans, dat is de conclusie van dit enerverende stuk over de plannen van Elon Musk en zijn rakettenfabriek. Misschien nog wel opwindender is het geplande prijskaartje: voor een kleine 2 ton (USD) or less kunt u naar de rode planeet.

Ik trapte er zelf ook even in, door uit te rekenen of ik op tijd het kapitaal bij elkaar kon hebben. Maar de ingenieur Musk geeft hier waarschijnlijk zijn mening over de verwachte de kostprijs van een ritje naar Mars. Nog afgezien van de onvermijdelijke tegenvallers de komende 10 jaar lijkt het erop dat SpaceX in 2027 de enige aanbieder van reizen naar Mars zal zijn. Een ruimtemonopolist, dus, die zich goed op de hoogte zal stellen van de vraagcurve naar zijn product. Reken er maar op dat die 2 ton een paar keer over de kop gaat.

Statistiek in tijden van computers

Even een korte econometrische excursie op deze economie-site. De praktische wetenschap van de statistiek, in de 19e eeuw begonnen door onder meer de Belg Quetelet (smulpapen kennen zijn index), werd tot de jaren ’50 steeds meer een tak van de zware wiskunde. Met de opkomst van de computer en steeds grotere datasets draaide de focus weer naar de praktijk. Zo ongeveer als in deze figuur:

Ik haal deze wijsheid (en de figuur) uit Computer Age Statistical Inference, een dikke pil die als geroepen komt voor gevallen econometristen zoals ikzelf, die hopen eindelijk eens uit de hoek linksonder te ontsnappen. Het is moeilijk om auteurs te vinden die een beter boek over dit onderwerp kunnen schrijven dan Efron en Hastie. Had ik al gezegd dat het gratis te downloaden is?

Tja, dat is publiceren in tijden van computers. Het blijft een wonderbaarlijk fenomeen. [via Diebold]

Economentaal

Bas Haring schrijft op MeJudice dat economische inzichten het beste aan de man gebracht kunnen worden met behulp van woorden, in plaats van wiskunde. Wiskundige modellen en statistiek hebben een rol, maar zouden niet leidend moeten zijn. Simpele inzichten kunnen beter door tekst worden overgebracht.

Dat doet denken aan de campagne van Wereldbankeconoom Paul Romer tegen “mathiness”, waarmee hij de praktijk aanduidt om wiskunde te gebruiken om wazige ideeën te laten lijken op harde wetenschap. Daarbij ergert hij zich vooral aan het verschijnsel dat verschillende economische scholen voortbestaan, ieder met een eigen waarheid en een eigen model, zonder dat er zicht is op een eindoordeel.

Daar konden nog wel eens problemen van komen, en inderdaad: lees hier Tim Harford over de rel die rondom Romer ontstond toen hij probeerde de economen van de Wereldbank bij te scholen. Een verrassende wending is dat Romer zich in dit geval niet boos maakte om de wiskunde, maar juist om het nietszeggende proza van de Bank. Daar had hij trouwens wel gelijk in: dit taalkundige rapport laat mooi zien hoe de Wereldbankrapporten over de jaren steeds waziger werden. Desondanks is Romer, als dank, uit zijn managementfunctie ontheven.

Mooie boel: wiskunde maakt het te moeilijk, en ook in de tekst kunnen economen niet altijd overreden. Al eerder meldden we dat Paul Krugman tot vergelijkbare inzichten kwam. Dat bericht eindigt met wat optimistische ideeën over mogelijke oplossingen. De pessimistische invalshoek is dat er nu eenmaal goede en slechte economen zijn, en dat voor meesterschap een zeldzame combinatie van talenten nodig is. De rest van de beroepsgroep moet helaas voortploeteren, in moeilijk te begrijpen tekst of vergelijkingen.

U kunt vandaag helaas niet werken

Vrolijke verjaardag van de Boeddha! Ik moet toegeven dat ik in het verleden de achtste dag van de vierde maand van de Chinese maankalender wel eens vergeten ben, maar toen ik er gisteren een vrije dag voor kreeg stond het mij ineens weer helder voor de geest. En het was nog maar zo kort na de dag van de arbeid, ook al een vrije dag.

Het jaar telt 17 publieke feestdagen in Hongkong, aanmerkelijk meer dan de 9 die Nederland er viert. Wat niet wil zeggen dat er hier minder gewerkt wordt; waar Nederland qua gewerkte uren doorgaans onderaan bungelt, duurt de werkweek in deze stad het langst. Het verschil zit ’m dus in het individueel of collectief vrij zijn.

Het kiezen tussen een verplichte vrije dag en een vrije dag die je zelf mag plannen, blijkt nog niet zo simpel. Volgens mijn economische intuïtie is meer keuzevrijheid altijd goed, en zijn verplichte vrije dagen daarmee suboptimaal. Maar ideeën over een extra verplichte vrije dag op 5 mei zijn populair in Nederland, en in het VK hoopt Labour de verkiezingen te winnen met maar liefst vier extra vrije dagen.

Wellicht denken mensen dat de extra vrije dagen gratis zijn, in de zin dat er voor hetzelfde geld minder gewerkt hoeft te worden. Mijn ervaring is eerder dat het werk zich niets aantrekt van de vrije dag, en er op andere dagen gewoon een extra hoeveelheid taken wacht. Hoewel dat niet voor iedereen zo zal zijn (of loopt de lopende band na een feestdag harder?), denk ik dat het voor de meeste mensen wel zo werkt. Bovendien ligt het macro-economisch moeilijk om minder te produceren maar wel evenveel te verdienen.

Het meest in het oog springende nadeel van collectief vrij zijn, is dat het bovengemiddeld druk wordt bij gelegenheden waar mensen op een vrije dag naartoe gaan. Gisteren was het druk op stranden, veerboten en in winkelstraten. Bij een zelfgekozen vrije dag is het waarschijnlijker dat de drukte zich spreidt. Voor bazen geldt dat de tent dicht moet, iets dat minder waarschijnlijk is als personeel zelf vrije dagen kiest. En daar bovenop komt nog het probleem dat sommige wekelijkse diensten opeens een week overslaan.

Maar er zijn ook voordelen aan het collectief vrij zijn. Het is een oplossing voor het coördinatieprobleem dat optreedt als vrije dagen niet centraal geregeld worden: hoe spreek je af met vrienden en bekenden? Duitse economen rekenden uit dat het keeping in touch effect minstens een stuk of 17 verplichte feestdagen waard is. En door gecoördineerde vrije dagen is het ook waarschijnlijker dat iedereen er wél is op de rest van de dagen, wat samenwerken makkelijker maakt. Een derde reden is het feit dat een publieke vrije dag geen schuldgevoel, of slecht signaal, opwekt bij degene die niet op de zaak is. En het overkomt mij nog wel eens dat ik verrast wordt door de verplichte vrije dag, wat het op de een of andere manier ook leuker maakt.

Het optimale aantal publieke vrije dagen is waarschijnlijk meer dan in de VS (ook 9) en minder dan Sri Lanka (25). Ligt 17 dicht bij het optimum? Vraag het mij na het Tuen Ng Festival en Establishment Day.

[Kruispost vanaf ESB. Eerder op deze site]

De overheid en het territorium

In de publieke economie is de overheid het resultaat van mensen die zich organiseren om dingen voor elkaar te krijgen. Dingen die ze alleen niet kunnen: (gelijke) regels vaststellen en handhaven voor iedereen, publieke goederen en diensten aanbieden, disputen oplossen. En in een goed werkende democratie is dat inderdaad wel ongeveer wat de overheid doet.

Op onze wereld zijn overheden bijna zonder uitzondering gebaseerd op territorium: binnen de landsgrenzen is één overheid de baas. In zekere zin een logisch systeem: wie bij elkaar in de buurt woont valt onder dezelfde regels en gebruikt dezelfde publieke goederen. En het zijn ook vaak die mensen waar je een dispuut mee hebt.

Wie als burger een andere overheid wil hebben moet dus verhuizen. Naar een land met wellicht een minder prettig klimaat, en zonder vrienden en kennissen. Is dat niet een wat achterhaald systeem? Voor bedrijven geldt allang dat ze de overheid (of: het belastingregime) kunnen kiezen dat ze het beste bevalt. Meer dan een brievenbus is er niet voor nodig.

Wanneer zou je als burger van overheid kunnen wisselen zonder te moeten verhuizen? Mij lijkt dat daar nog wat technische ontwikkeling voor nodig is, die het mogelijk maakt om je veiligheid en eigendom zelf af te dwingen, maar niet veel meer. Zou een  keuze voor een eigen overheid niet passend zijn in deze tijd van maatschappelijke tweedeling?

Maar misschien onderschat ik het probleem. Ik besloot het voor te leggen aan Tyler Cowen, de econoom achter het weblog Marginal Revolution (één van de weinige economie-blogs die al langer bestaat dan deze).

Het antwoord staat hier. Cowen komt met een lijst van overheidsdiensten die volgens hem moeilijk van afstand af te nemen zijn: politie, wegen (en water, stroom en de school – hoewel mij die toch wel verhandelbaar lijken). Het hete hangijzer is natuurlijk de sociale zekerheid en de directe belastingen. Cowen stelt dat vermogende mensen daar nu al een keuze in hebben door bijvoorbeeld in Monaco te gaan “wonen”. Het enige verschil is dat ze er dan nog minder dagen per jaar door hoeven te brengen.

Cowen verwacht dat de meeste mensen, ook als ze de mogelijkheid van een andere overheid hebben, niet zo snel zullen wisselen. Uit honkvastheid, of nationalisme. Dat lijkt me een onderschatting.

Hoe dan ook, voor wie dit onderwerp net zo interessant vindt als ik, in de 55 comments staan voldoende historische en huidige voorbeelden waar dit idee wel/niet werkt(e). Het enthousiasme is bij de meesten vrij beperkt. Met name wordt het idee gezien als (weer) een mogelijkheid voor rijke mensen om zich aan hun maatschappelijke plichten te onttrekken. Maar misschien is dat typisch Amerikaans.

Lenen bij de cijferbank

De lokale krant schrijft vanochtend over een intrigerende innovatie op een internationale school in Nanjing: leerlingen die zakken voor een examen kunnen punten bijlenen bij een nieuw opgerichte cijferbank. De lening moet wel worden terugbetaald (met rente!) door op een volgend proefwerk méér dan een zes te halen. Het systeem is bedacht in samenwerking met ouders, die werken in de bankensector.

Zoals altijd ontbreken de cruciale details. Worden leningen van tevoren beoordeeld door een kredietafdeling? Moet de terugbetaling gebeuren met punten uit hetzelfde vak? Wat is de rente? En als je eerst een hoog cijfer haalt en dan pas een onvoldoende, staat je hoge cijfer dan ook op de bank?

Maar het idee is stimulerend, omdat opeens een collectie aparte, schaarse, goederen fungibel wordt, dat wil zeggen, verhandelbaar. Onmiddellijk herinner ik mij weer de klasgenoot die alle vakken gemakkelijk kon halen, maar bleef zitten op zijn vier voor Frans. Daar had de cijferbank goed werk kunnen verrichten, helemaal als het Nibud hem in de eerste klas gewaarschuwd had om altijd minstens een 6½ te halen.

Voor zover mijn (stokoude) kennis nog relevant is, kon je in Nederland altijd al compenseren binnen hetzelfde vak – met de gevleugelde uitdrukking “ik mag voor wiskunde een 3½ halen” tot gevolg. Binnen dat systeem is de student slachtoffer van de min of meer willekeurige afbakeningen tussen vakken, waardoor een onvoldoende bij wiskunde A wel gecompenseerd wordt door een hoog cijfer voor datzelfde vak, maar niet door een 10 bij wiskunde B. Dat is pure financiële repressie. Het idee van een cijferbank schetst een wereld waarbij de verhandelbaarheid van cijfers flink toeneemt, met een verhoogde welvaart tot gevolg.

Tenminste. De vraag is natuurlijk of kennis net zo fungibel is als cijfers bij de cijferbank. Wie wil er naar een dokter die zijn vier voor het examen infectieziekten heeft gecompenseerd met een acht voor sportblessures?

Ik neem aan dat tegoeden bij de cijferbank niet overdraagbaar zijn tussen leerlingen. Niet dat ik nou denk dat die ambitieuze Chinese studenten elkaar een beter rapport cadeau gaan doen, maar hoe zou het zijn om je eigen zoon of dochter te laten genieten van het tegoed dat je nog bij de cijferbank hebt staan? Een kleine cijfer-erfenis voor junior.

Niet eerlijk natuurlijk. Maar nu vraag ik mij af waarom we gewone erfenissen dan wel acceptabel vinden.

2016

Ach, verhip, is het alweer 5 januari? Dan krijgt u van mij al een tijdje de statistieken over het voorgaande jaar. 29 berichten, da’s nog steeds geen weekblad maar er zit groei in ten opzichte van 2015. Ook het aantal bezoekers nam weer toe, naar een nieuw record van iets meer dan 925.000 pageviews. Daarvan kwamen er precies 702 via de versleutelde site, waarvoor complimenten.

Er gebeurde genoeg in 2016: we stopten met Elders en gingen over op Twitter, deden en passant een correcte voorspelling, en ik verhuisde naar een ver buitenland. En ik kan natuurlijk  nog uren doorgaan, maar dan verstrijkt de termijn waarop ik u nog behoorlijk het beste kan wensen: een gelukkig en optimaal 2017!

Thomas Schelling

Thomas Schelling, strateeg en speltheoreticus, winnaar van de Nobelprijs (en ontvanger van een eredoctoraat van de EUR), is gisteren overleden.

Hij was misschien wel de econoom die we over de jaren het vaakst aangehaald hebben, omdat zijn inzichten van pas komen in de meest uiteenlopende situaties. Of gewoon omdat zijn boeken zo goed geschreven waren.

Wie nog nooit een Schelling las, begint het beste hier. En (her)lees ook nog eens dit bericht, één van mijn favoriete stukken op deze site.

Politiek risico

Op mijn bureaublad prijken tegenwoordig twee kalenders: naast de publicatiekalender met economische cijfers staat een kalender met politieke gebeurtenissen. Gisteren het Italiaanse referendum en de presidentsverkiezing in Oostenrijk. Verkiezingen in Nederland, Frankrijk, Duitsland volgend jaar. En, voor de zekerheid ook maar, de parlementsverkiezingen Ghana op 7 december en in Roemenië op 11 december.

Het is bij beleggers gewoon om te praten over “politiek risico”, wat de zaken feitelijk omdraait. Voordat de politiek opspeelt, is het risico al lang en breed aangekomen bij de burgers, die vervolgens bij de stembus verhaal komen halen. De schokkende uitslagen van het Britse referendum en de Amerikaanse verkiezingen zijn boodschappers van onvrede, geen ongelukken uit het niets. Dat burgers hun ongenoegen kunnen uiten is één van de goede eigenschappen van democratie, die weliswaar op korte termijn leidt tot risico, maar er ook voor zorgt dat grotere problemen op langere termijn achterwege blijven.

Die langere termijn maakt het moeilijk om direct aan te tonen dat democratie leidt tot betere economische prestaties. De economische literatuur doet haar best, nu lijkt het weer dat democratie er inderdaad toe doet, maar de discussie is nog niet gesloten. Ongeacht de resultaten, lijkt de stemmer het stemmen an sich op prijs te stellen. Toch is er in veel Westerse landen een trend waarneembaar om het wel best te vinden met de democratie.*

Wat in zo’n geval helpt is een tijdje doorbrengen in een land met een gemankeerde vorm van democratie. Hier in Hongkong is na de teruggave aan China een systeem opgetogen waarbij er wel gestemd kan worden, maar de invloed van burgers beperkt blijft. Door bedrijven stemrecht te verlenen, bijvoorbeeld, of alleen al door de notie dat grote buur China in zal grijpen als er al te gekke dingen gebeuren.

Zoals eerder dit jaar, toen twee politici in het parlement gekozen werden die beloofden aan te sturen op onafhankelijkheid van China. Geen heel praktisch idee, maar dat maakte in dit geval niet uit: nog vóór de eerste vergadering waren de twee alweer uit het parlement gewipt, zoals blijkt uit dit lezenswaardige artikel. Zo is het politiek risico beperkt, in ieder geval voorlopig. Maar ondertussen loopt meer dan de helft van de jongeren rond met plannen om te emigreren. Een lange-termijn probleem waar de stad voorlopig nog geen antwoord op heeft.

* Een bericht dat nu trouwens tegengesproken wordt.

®andomiseren

De economen Kwast en Kwant werken jarenlang aan een onderzoek. In de publicatiefase nemen ze econoom Aantjes erbij voor wat laatste inzichten en daarmee gaat hun paper de wereld in als Aantjes et al.

Het sorteren op alfabet kan oneerlijk zijn, ook als de auteurs redelijk en van goede wil zijn. Misschien dat Aantjes het niet erg vindt om met Kwant, Kwast en Aantjes te gaan, en dan geeft de volgorde informatie over de relatieve inspanning. Maar als Aantjes toevallig Zwart geheten had, dan zegt de volgorde weer niets over de bijdrage die hij geleverd heeft, want bij Kwant, Kwast en Zwart kan er net zo goed op alfabet gesorteerd zijn.

In de muziek lost men dit probleem op door de groep een eigen naam te geven. Dat geeft mooi een extra vrijheidsgraad en zet de willekeur van de achternaam buiten spel. Maar dan wordt het wel weer lastig als de bandnaam bekendheid krijgt en één van de leden opstapt: moet de band dan ook van naam veranderen? (Zie ook: Frank en de zes Mirellas)

Dit voorstel van Ray ® Robson (2016) doet een andere poging: het symbool ® vertelt de lezer dat de volgorde van de namen bij toeval is vastgesteld. Dat is dus informatiever dan Ray en Robson (2016), wat ook gewoon de alfabetische volgorde had kunnen zijn. Maar wie een naam met een accent heeft weet dat het gebruik van niet-alfanumerieke tekens grote gevaren met zich meebrengt (zie ook: Gerard ’t Hooft). Bovendien geeft randomisatie maar één mogelijkheid: iedereen heeft gelijk bijgedragen aan het product.

De economische oplossing lijkt mij om aandelen uit te geven in ieder paper, en op de voorpagina de eigendomsverhoudingen te geven, desnoods per hoofdstuk. Het citeren van het paper gaat dan via de titel, die net zoals een tweet maximaal uit 140 (alfanumerieke) tekens mag bestaan. En wie zijn naam echt heel graag terug wil zien, zet 'm gewoon in de titel.