De machtigste wetenschapper

Dit artikel, dat een paar dagen geleden op de Correspondent verscheen, vraagt om een reactie. Het beschrijft de invloed van economen op beleid en hun rol in de media, vergeleken met andere wetenschappers zoals filosofen en historici. Volgens Rutger Bregman (zelf historicus) is de econoom de machtigste wetenschapper, en zijn cijfers over mediaoptredens “verbijsterend”.

Ik haal de twee zaken (macht en media) even uit elkaar. Over economen in de media zal ik morgen wat zeggen. Wat betreft de macht komt het artikel met harde cijfers:  het aantal vermeldingen van economen (en economie) in Kamerstukken en in de krant. Daar zien we dat economen vaker worden genoemd dan collega-wetenschappers, en het gat wordt na 2008 groter.

corres_econ

De suggestie is dat economen onevenredig vaak worden aangehaald. Volgens Bregman is het zo dat economen “historici, filosofen, sociologen en antropologen wegdrukken in de besluitvorming”. Vermoedelijk zou een uitkomst waarbij alle disciplines ongeveer even vaak worden geraadpleegd, als eerlijker gezien worden. Dringt de econoom zijn of haar mening op, ten koste van de rest?

Als econoom zeg ik daarover: het is een kwestie van vraag en aanbod. Als we uitgaan van vermeldingen in de Kamer, zoals in de grafiek hierboven, lijkt het me dat de Kamerleden expertise zoeken op het gebied van zaken waar de Kamer over moet beslissen. Dat kan natuurlijk van alles zijn. Als gaat het over het deelnemen aan een vredesmissie, of de vraag of je koning mag beledigen, lijkt het me heel goed om historici of filosofen om raad te vragen. Bij kwesties zoals het hervormen van het belastingstelsel of maatregelen tegen excessieve beloning zou je misschien beter een econoom kunnen polsen. De verhouding geraadpleegde wetenschappers zou dus bepaald moeten worden door de vraag: waar houdt de Kamer zich zoal mee bezig? Betreft dat hoofdzakelijk gebieden waar economie een belangrijke rol speelt?

Nou gaat economie zo’n beetje over alles, maar dat kun je ook over geschiedenis of filosofie zeggen. Wel zijn er een hoop economische inzichten die specifiek voor politici goed van pas kunnen komen, omdat ze helpen om de gevolgen van beleid in beeld te brengen. Ik denk bijvoorbeeld aan (maatschappelijke) kosten-baten-analyses of een analyse van marginale belastingdruk voor en na beleid. Hier komt het ideaal van Keynes, economen als een soort van tandartsen, dichtbij. Economen dragen informatie aan, de politicus beslist. Als er vanuit de Kamer (of de krant) veel vraag naar economische informatie is, zullen er veel economen geraadpleegd worden.

Dan het aanbod. Economen worden niet geboren, net zomin als historici. Een mens wordt econoom door economie te studeren. Een reden dat er meer economen dan filosofen optreden in de Kamer, is wellicht dat er veel meer economen dan filosofen zijn. Maar belangrijker is misschien nog wel: wie kiest ervoor om economie te gaan studeren? Dat kan zomaar eens het type mens zijn, dat zich graag bezighoudt met  het soort vraagstukken waar de Kamer over gaat. Dat die daar uiteindelijk terecht komt om zich met Kamerzaken te bemoeien, komt wellicht niet alleen door de studie.

Conclusies trekken op grond van de grafiek is dus lastig. De vraag of economen dominant zijn hangt af van de toegevoegde waarde van het advies, en de vraag of economen andere nuttige inzichten verdringen. Dat valt niet af te lezen uit deze lijntjes. Maar de vraag wat de econoom eigenlijk kan, is natuurlijk wel belangrijk. In het artikel wordt stilgestaan bij het feit dat economen niet kunnen voorspellen, iets wat ik graag beaam. Maar kunnen ze daarmee helemaal niks? Of kunnen ze minder dan ze beweren? Het stuk over media-economen biedt houvast om daar verder over te denken. Morgen meer.

(Eerder over economen en wat ze wel en niet kunnen.)

Stemadvies

Vandaag zijn er verkiezingen. Voor wie zijn stem wil laten bepalen door Wat De Econoom Er Van Vindt (en inderdaad, wie wil dat niet) komt recent onderzoek van van Dalen, Klamer en Koedijk prima van pas. Zij vroegen Nederlandse economen (verbonden aan een universiteit, of lid van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde) naar hun politieke voorkeur. Daaruit blijkt dat een verpletterende 41% vandaag zijn stem uitbrengt op D66. Opvallend, want een slordige 30 jaar geleden hoorde je er als econoom nog niet echt bij als je geen lid was van de PvdA. Anderzijds: uiteraard betekent deze uitslag ook gewoon dat de meeste economen niet op D66 stemmen.

Andere middenpartijen (PvdA, GroenLinks, VVD, CDA) scoren dik 10%, terwijl de SP op slechts 3% mag rekenen. Geen enkele academisch econoom bleek bereid zijn stem uit te brengen op de PVV. 50Plus krijgt überhaupt geen stem, terwijl het aantal KVS-leden in de doelgroep van deze partij toch aanzienlijk is.

Helaas blijft onduidelijk waar we bij de waterschapsverkiezingen op moeten stemmen.

Vragen voor Larry Summers

Deze vrijdag kan de Nederlandse econoom gaan luisteren naar één van zijn meer beroemde vakbroeders uit de VS: Lawrence H. Summers (zie de filmscene; familie van en van; en het schilderij). Hij spreekt dan de Tinbergenlezing uit op de Nederlandse Economendag. In plaats van een verslag ter plekke, zoals vorig jaar, kijk ik dit jaar vast vooruit naar de lezing.

De reden: we weten al wat Summers in Amsterdam gaat zeggen. Het moet wel heel raar lopen als zijn lezing niet grotendeels gaat over het onderwerp waarover hij bijna een jaar geleden voor het eerst sprak: secular stagnation, of hoe de uitval van vraag leidt tot een stilvallen van de economische groei. Symptomen: lage investeringen, minieme inflatie, lage rente, hoge werkloosheid. Daarmee kun je Europeanen goed om de oren slaan: zie bijvoorbeeld op deze video (ca. 14:40) hoe Larry de heren Schäuble en Padoan onder handen neemt, recent bij het IMF.

Zijn aanbeveling is even simpel als controversieel: oppeppen die vraag, met monetaire middelen en, als die zijn uitgeput, door te investeren met geleend geld. Onder de huidige omstandigheden verdient een goede investering (bijvoorbeeld in infrastructuur) zichzelf makkelijk terug, en stimuleert ook nog eens de groei. Uiteindelijk is dit een hoopvol verhaal, want het stelt dat de huidige lage groei niet wordt veroorzaakt door een lage potentiële groei: er is een manier om weer uit de put te komen.

Het is een mooi betoog en Summers is een prettige spreker. In combinatie met zijn sterk Keynesiaanse boodschap, die er bij het Nederlandse publiek doorgaans goed ingaat, lopen we het risico op een kritiekloos applaus. Daarom nu vast wat kritische vragen.

1. Investeren in infrastructuur is het tovermiddel voor landen die te maken hebben met stilval. Maar neem bijvoorbeeld Spanje, een land dat wel wat stimulatie kan gebruiken. De reden dat het land in de touwen hangt, is juist een overinvestering in infrastructuur in de jaren voor de crisis. Moeten we daar nog meer van doen? En moet Italië, om een andere klant te noemen, echt meer gaan lenen om weer te groeien?

2. De Duitse infrastructuur is een stuk slechter, en Duitsland is in een positie om de beurs te trekken. Maar er is wellicht een reden dat de Duitsers zo op de centen zijn. Niet vanwege die nationale inflatie-angst, maar vanwege de dynamische budgetrestrictie: de demografie van Duitsland is buitengewoon ongunstig en sparen voor de oude dag gebeurt slechts sinds een jaar of tien.

3. Investeren doe je waar de marginale productiviteit het hoogst is. Sinds kapitaal makkelijk de wereld over kan, gaat het Europa uit, op weg naar opkomende landen of de VS. Pleit Summers eigenlijk voor het weer afsluiten van het vrije kapitaalverkeer, zodat onze besparingen verplicht lokaal worden ingezet?

Fed-beleid en het buitenland

Van het een kwam het ander en zo zat ik ineens in een zaal in Washington te luisteren naar de Per Jacobsson lecture. Het was bij het IMF, en zo bezien was het verrassend dat de spreker Stanley Fischer was, en niet zijn co-auteur. Ongepland bovendien, ik zat nog in de zaal vanwege iets anders, maar wie gaat er weg als één van de groten het woord neemt? Helemaal als hij net is toegetreden tot het bestuur van de machtigste centrale bank ter wereld, en in het publiek Janet Yellen en Paul Volcker begroet?

Stil zitten en meeschrijven dus. Het verhaal (hier integraal te lezen) sprak mij als niet-Amerikaan bijzonder aan, want het betrof de effecten van het monetair beleid van de Fed op economieën buiten Amerika. Als de Fed de rente verhoogt, stijgt de rente in Europa mee. Waarom? Omdat tussen de twee gebieden kapitaalverkeer plaatsvindt, zie het Mundell-Fleming model.

Meer aansprekend wellicht: als het monetair beleid in de VS ruim is, stroomt het geld de wereld in, op zoek naar rendement. Gaat de geldkraan weer dicht, dan leidt dat niet zelden tot een crisis ergens in de rest van de wereld. Zie bijvoorbeeld de Azië-crisis van 1997. In zijn voordracht beschreef Fischer hoe de Fed hier tegenaan kijkt. Interessant, want de Amerikaanse centrale bank staat op het punt om het ruime beleid van de afgelopen jaren af te ronden.

Het was een verrassend simpel standpunt: kort samengevat hebben crises in de rest van de wereld de aandacht van de Fed, omdat ze via een omweg weer tot economische tegenwind in de VS kunnen leiden. Verdere gebeurtenissen die niet van belang zijn voor de Amerikaanse economie, worden geheel buiten beschouwing gelaten.

Dat klinkt hard, maar Fischer stond erop dat het mandaat van de Fed niet anders te lezen valt. Zoals voorheen is de dollar is hun munt maar ons probleem. Er zijn nog wel wat verzachtende omstandigheden. Zo gaat de rente in de VS alleen omhoog als de economie goed op stoom is. Dat is een omgeving waar de rest van de wereld ook van profiteert. Fischer beweerde zelfs dat hij in zijn tijd als president van de Israëlische centrale bank liever een verkrappende, dan een verruimende Fed zag.

Maar ik kon me ook niet aan de indruk onttrekken dat Fischer in deze zaal, vol met buitenlandse monetaire autoriteiten, een mooi staaltje tough love te zien gaf. Door van tevoren aan te kondigen dat de wereld geen hulp hoeft te verwachten, creëert hij maximale waakzaamheid bij de overige centrale bankiers. Dat is vrijwel zeker de optimale strategie voor de Amerikanen, zelfs als ze stiekem wél om de rest van de wereld geven.

Applaus na afloop, ook van de buitenlanders in de zaal. Ik stond op, en twee rijen voor mij deed de enorme figuur van Paul Volcker hetzelfde. Foto!

thijs_and_paul

Google X en Debreu

U heeft vast wel eens gehoord van Google X, het onderdeel van de zoekgigant dat zich bezig houdt met het uitvinden van onder meer Google Glass en de zelfrijdende auto.

Ook heeft u vast wel eens gehoord van Gerard Debreu, een van de grondleggers van de algemene evenwichtstheorie en bijvoorbeeld medenaamgever van de Arrow-Debreu securities, die 1 euro uitbetalen als een bepaalde gebeurtenis plaatsvindt, en anders niets.

Wat de twee gemeen hebben? Google X wordt geleid door Astro Teller (geboren Eric), en dat blijkt weer een kleinzoon van Gerard Debreu.

Innovatieve familie.

Gary Becker

Gary Becker is overleden. Onverwacht kennelijk, hij zou dinsdag nog college geven in Chicago. Becker werd met name bekend om zijn toepassing van economisch rationalisme op (voor zijn tijd) onverwachte onderwerpen als criminaliteit en het gezinsleven. Uit dat laatste onderzoek volgt ook het beroemde Rotten Kid Theorem. Zijn universiteit heeft al een overzichtsartikel geplaatst. Op deze site verwezen we graag naar Becker als het om criminelen ging, maar ook vanwege zijn stukken op het Becker-Posner-blog. Uit het archief:

Pakkans.

Gary Becker en de Christenunie.

En wat is er mis met het spekken van de staatskas?

Schuld en boete.

Hedge funds.

Update, 8 mei: UChicago press maakt als eerbetoon “vier van zijn belangrijkste artikelen” gratis toegankelijk:

Solow over topinkomens (en Piketty)

It is of course possible that “supermanagers” really are supermanagers, and their very high pay merely reflects their very large contributions to corporate profits […] This explanation would be harder to maintain if the phenomenon turns out to be uniquely American. It does not occur in France or, on casual observation, in Germany or Japan. Can their top executives lack a certain gene? If so, it would be a fruitful field for transplants.

Aldus een nogal droge Robert Solow in een recensie van Piketty, u weet wel, het boek waar iedereen het over heeft. Het is dan ook vrij uniek dat een economieboek de bestsellerlijst van Amazon aanvoert (meer over het verkoopsucces hier).

Die recensie van Solow is trouwens extreem helder en volledig, en maakt het lezen van het boek haast overbodig. Lang niet alle recensies zijn even positief, zie bijvoorbeeld deze en deze. Ook deze is boeiend. In het Nederlands (maar wel  technisch) geeft Bas Jacobs een uiteenzetting in drie delen. Ondertussen beweert Nassim Taleb dat het allemaal een statistische artefact zou zijn. Een video van een discussie tussen Piketty, Stiglitz en Krugman staat hier.

Stimulus 2.0

Welja, nemen we even een paar weken vakantie van dit economische weblog, zit meteen de hele economie in een liquiditeitsval. Werkloosheid torenhoog, investeringen in het putje. Het zou helpen als de bestedingen eens lekker aan zouden trekken.

Maar helaas. Net nu het geld in beweging zou moeten komen zijn de burgers plots bevangen door een grote spaar- en ontschuldzin. In normale gevallen verlaag je dan de rente, maar die staat al zo dicht bij nul dat zelfs sparen in een oude matras aantrekkelijk begint te worden. Is er dan niemand die raad weet?

De traditionele econoom merkt op dat de nominale rente misschien niet verder omlaag kan, maar de reële rente best nog wel wat kan zakken. Als we nou, om te beginnen, de inflatiedoelstelling eens richting de vier procent konden krijgen. Dan verdwijnt, bij nul procent rente, ieder jaar een fors gedeelte van de koopkracht van het spaartegoed. Dat zal die luie rijkaards wel naar de P.C. Hooftstraat jagen!

Een nadeel is natuurlijk dat zoiets zich eerst helemaal in de verwachtingen van consumenten moet werken. Die waren net lekker verankerd, en voordat zo’n nieuwe doelstelling een beetje effect heeft ben je jaren verder.

Nee, dan de minder traditionele economen. Een slimme beweging, die wordt geleid door een dappere Galliër, heeft zich laten inspireren door mijn eerdere blog “dreigen is genoeg”. Hun wapen: een boek van 970 pagina’s dat in lezers het onbedwingbare verlangen losmaakt om belasting te gaan heffen op vermogen. Het werk, dat wordt uitgebracht op hetzelfde moment dat in heel Europa het bankgeheim wordt opgeheven, heeft zijn effect op vermogende consumenten niet gemist.

De kracht van de suggestie doet hier zijn Keynesiaanse werk. Zonder dat er feitelijk iets hoeft te gebeuren wordt de burger richting het winkelcentrum gedirigeerd, om ons daar snel uit de liquiditeitsval te verlossen. Met een beetje geluk wordt Thomas Pikkety daarmee de Roosevelt van de 21e eeuw.

Het Mickey Mouse Monopolie

Eerder vandaag maakt Bas ter Weel op het ESB-blog  melding van de dood van Walter Oi, en van zijn analyse van de kosten van de militaire dienstplicht in de VS. Grappig, want ik kende de man alleen maar van zijn analyse van het two-part tariff in een klassiek artikel met de briljante titel A Disneyland DIlemma: Two-part Tariffs in a Mickey Mouse Monopoly.

Stel u bent eigenaar van Disneyland en elke bezoeker heeft dezelfde vraagfunctie voor ritjes in de achtbaan. U kunt dan de standaard monopolieprijs zetten waarbij marginale opbrengsten gelijk zijn aan marginale kosten. Stel echter dat u de prijs gelijk zet aan marginale kosten. Dat maakt bezoekers bijzonder gelukkig; zo’n prijs genereert een veel grotere vraag naar achtbaanritjes en dus een veel groter consumentensurplus. Maar, en nu komt het, vervolgens heft u een toegangsprijs die precies gelijk is aan dat consumentensurplus. De consumenten zullen nog net bereid zijn die prijs te betalen, u roomt de volledige sociale welvaart af en uw winst is uiteindelijk nog veel hoger dan door het zetten van die standaard monopolieprijs. Oi noemt dit een two-part tariff, een prijs die bestaat uit twee componenten: de toegangsprijs voor het park en de prijs per ritje in de achtbaan. Een zelfde prijsstructuur wordt bijvoorbeeld ook gehanteerd door uw lokale energiebedrijf. Bovenstaande analyse is inmiddels volstrekt standaard en staat in elk tekstboek over industriele organisatie. Maar de oorspronkelijke analyse is van Walter Oi. U weet wel, die van de dienstplicht.

Altijd wel gedacht

In zijn kerstverhaal in ESB (link voor abonnees) neemt Philip Hans Franses de hele economenwereld kostelijk op de hak. In zijn versie van 2014 komen allerlei voorspellingen plotseling uit. Mijn favoriete passage is deze:

De lente

Mede dankzij de rap stijgende huizenprijzen gaat ook de inflatie flink omhoog. Een zeer bekende economieprofessor neemt het woord in vele televisieprogramma’s waarin hij laat weten al bijna tien jaar lang te waarschuwen voor het inflatiespook, en zo roept hij triomfantelijk: “Zie je wel, het is zover! Ik heb het altijd al geweten.” En: “Ja, het is soms even wachten op een stijging van inflatie, in mijn geval zelfs acht volle jaren,maar ja, als het dan gebeurt, dan ben je natuurlijk erg trots op je eigen inzichten.”