Multiplier (3)

De berichten over multipliers vermenigvuldigen zich snel, maar het duurt waarschijnlijk nog jaren voordat het onderwerp weer zo in de mode is. Daarom nog even dit. In een artikel in het FD, waar Bas Jacobs vanochtend al het één en ander over gezegd heeft, staat de volgende passage:

Blanchard stelde echter dat de multiplier inmiddels 0,9 à 1,7 is. Boven de 1, kost de operatie meer dan het oplevert en neemt de schuld, die wordt uitgedrukt als percentage van het bbp, verder toe. Zo raakt een land dus van de regen in de drup.

De multiplier, u weet het nog, geeft het effect van een bezuiniging op het BBP. Is het ding 1, dan neemt het binnenlands product met evenveel af als de oorspronkelijke bezuiniging; boven de 1 is dat effect nog groter. Maar toch klopt de bewering van FD-journalist Marcel de Boer hierboven niet. “Multiplier (3)” verder lezen

Meer multipliers

Tweehonderdvijftig pagina’s telt de WEO, het halfjaarlijkse overzicht van het IMF, maar aan de reacties te zien hadden dat er net zo goed drie kunnen zijn. Zoveel kantjes telt Box 1.1, geschreven door Blanchard zelf, met als onderwerp die verdraaide multipliers waar ik eerder deze week ook al over berichtte. Dat laatste verplicht mij er nu nog iets meer over te zeggen. “Meer multipliers” verder lezen

Transitiviteit op het EK

Om een nette nutsfunctie te kunnen postuleren, is het noodzakelijk dat voorkeuren transitief zijn. Wie A prefereert boven B, en B boven C, moet ook A prefereren boven C.

Voetbaluitslagen zijn lang niet altijd transitief. Als A wint van B, en B wint van C, dan betekent dat nog niet dat A ook wint van C. In de groep van Nederland op dit EK waren de uitslagen echter volledig transitief. En dat is dan toch weer aardig, als schrale troost voor de uitschakeling van Oranje.

Die transitiviteit betekent overigens ook dat we na drie wedstrijden net zo goed meteen al hadden kunnen stoppen. Ga maar na: Duitsland won van Portugal, Portugal won van Denemarken, Denemarken won van Nederland. De uitslag van de overige drie wedstrijden volgt dan onmiddellijk uit transitiviteit, en de eindstand daarmee ook.

Vakidioot!? Ik!? Dat valt best wel mee. Heus.

Kruispost van het economie.nl EK blog.

Stop maar met de sociale wetenschap

Via vaste lezer Ward krijg ik dit filmpje uit ons parlement doorgespeeld. Als u nog 4:30 minuten overheeft zou ik zeker even kijken, want het is zeer de moeite waard. PVV-kamerlid Lilian Helder heeft het woord en zij laat zich uit over het effect van een taakstraf versus dat van een gevangenisstraf. Onderzoek toont aan, zeggen anderen, dat degenen die een taakstraf ondergaan minder vaak in dezelfde fout vervallen als degenen die naar de gevangenis moeten.

Dat kan je helemaal niet vergelijken, zegt mevrouw Helder, want dat zijn verschillende personen. Dus dit onderzoek is waardeloos.

De gevolgen laten zich raden: andere leden van de Tweede Kamer spoeden zich naar de microfoon om mevrouw Helder te kakken te zetten en het filmpje komt met sarcastisch commentaar op Dumpert. Maar is haar redenering nou zo dom, of zijn wij zo slim?

“Stop maar met de sociale wetenschap” verder lezen

Doorberekenen

Supermarkten krijgen dit jaar te maken met gestegen voedselprijzen, maar kunnen die door de hevige prijsconcurrentie maar in beperkte mate doorberekenen aan de klant.

aldus een gisteren verschenen rapport van ABN Amro. Intrigerende conclusie. Volgens onze eerstejaars Micro geldt immers dat juist bij volledige mededinging (en dus bij hevige prijsconcurrentie) prijs gelijk is aan marginale kosten en een kostenverhoging dus volledig wordt doorberekend. Een monopolist die MO gelijk stelt aan MK zal in het algemeen een prijsverhoging juist niet volledig doorberekenen. Op dat inzicht zijn bijvoorbeeld ook een aantal empirische methodes gebaseerd (zoek op Bresnahan-Lau).

Blijkbaar heeft men hier een ander model in gedachten. Iets richting kinked demand, misschien. Hoe dan ook, opmerkelijk is het wel.

Het laatste woord over de assen

In de commentaarbijlage van Thijs’ vorige bericht woedt al enige tijd een discussie over waarom Marshall nu echt de assen verkeerd om tekende, en alle andere economen met hem. Commentator Matthijs (let op de dubbel t) geeft definitief uitsluitsel en dat is voorwaar een apart bericht waard.

Het antwoord staat in een artikel van Scott Gordon in de Eastern Economic Journal 1982, dat hier [grote pdf!] online staat. Het artikel lijdt aan de gebruikelijke breedsprakigheid van historici, maar het komt er op neer dat Marshall het op deze manier handiger vond, omdat hij dan langs de verticale as het surplus van producenten en consumenten kon aflezen. Kort samengevat: Thijs had gelijk.

Omgekeerde assen

Ja, waarom gebruiken economen eigenlijk omgekeerde assen, waarbij we de prijs verticaal zetten en de hoeveelheid horizontaal (zie bijvoorbeeld hieronder)? Is dat inderdaad historisch bepaalde onzin?

sd1.png

De eerste reactie van de verdachte is natuurlijk ontkennen. Het is gebruikelijk om de onafhankelijke variabele horizontaal te zetten en de functie van die variabele verticaal, waarbij het vaak zo is dat de één de ander bepaalt. De assen zijn verkeerd om, stelt men, want vraag en aanbod worden bepaald door de prijs. Maar dat is niet noodzakelijk. Neem aanbod vraag: als ik een vast aantal kerstbomen heb om te verkopen, dan zal ik mijn prijs zo zetten dat ik ze precies allemaal kwijtraak. De aanbod hoeveelheid bepaalt dan de prijs en de assen staan goed.

Maar er is nog een betere reden om het diagram zo te tekenen. Degene die de conventie historisch bepaald heeft is de Engelsman Alfred Marshall. Hij geldt ook als een van de grondleggers van het begrip surplus. Het surplus in een marktevenwicht geeft aan hoeveel waarde er gecreëerd wordt, bovenop de productiekosten. Dat kun je uittekenen in het diagram:

SD2.png

De prijs die tot stand komt is P*, de verhandelde hoeveel Q*. De (variabele) productiekosten worden weergegeven door het rode oppervlak. Blauw is het producentensurplus: het geeft aan dat bepaalde producenten ook voor minder hadden willen verkopen, en dus een extraatje krijgen. Oranje is het consumentensurplus, idem geeft dat aan dat bepaalde consumenten meer hadden willen betalen dan de marktprijs, en dus voordelig uit zijn.

Bij wiskunde leer je dat je oppervlaktes kunt bepalen met een integraal. Dat kan ongeacht de stand van de assen, maar het makkelijkst is het als je een oppervlakte onder een curve over een stukje van de x-as moet bepalen. Door de prijs op de verticale as te zetten kun je dus het surplus makkelijk berekenen.

Ik heb geen idee of Marshall het daarom zo bedacht heeft, maar aannemelijk is het wel.

De vraagcurve aflopen

vraag.png

Kijk, een vraagcurve. Tijdens micro-1 geleerd dat de producent een punt op de verticale as moet kiezen en dat dan de verkochte hoeveelheid op de horizontale as af te lezen is. De klanten zitten als het ware op de curve en links van het snijpunt gaan ze tot aankoop over.

Als hij een eindje links van het gekozen punt zit, dan krijgt de klant een soort cadeau: hij had meer willen betalen voor het product dan de marktprijs. Het verschil is zijn surplus, een stukje geluk dat voortkomt uit het feit dat alle klanten dezelfde prijs betalen.

Had iedere klant zijn eigen prijs, dan kon de verkoper de vraagcurve “aflopen”: iedere klant betaalt precies zoveel, dat de prijs hem net niet van de aankoop weerhoudt. Grote winst voor de verkoper, maar het aflopen van de curve is ook duur, zo betoogde mijn docent. Er moet dan een vertegenwoordiger langs de deuren, door weer en wind, die na een moeizaam gesprek zijn waren aan de huisvrouw kan verkopen, voor een zeer speciale prijs. Vaak is dat de moeite niet waard.

Maar ja, micro-1 is voor mij alweer bijna 20 jaar geleden. En in de economie verandert er wel eens wat.

TFP en de vrije stijl

Bij economische productie komen mensen, machines en kennis bij elkaar en resulteert een product. Om wat grip te krijgen op dit proces gebruiken economen vaak een productiefunctie, zeg Y=AF(K,L). Productie Y komt dan voort uit kapitaal K en arbeid L en de efficiëntie van het proces wordt bepaald door de term A, die vaak de totale factorproductiviteit (TFP) wordt genoemd. Uit de eigenschappen van de functie F kun je veel nuttige inzichten en modellen afleiden.

Maar dan die A, de TFP. Als je die nou eens zou kunnen verhogen, dan schiet het nog eens op met de groei. Op basis van die gedachte ontstond in de jaren ’80 de endogene groeitheorie. Die A, zo stelden de aanhangers, stond voor ideeën en met nieuwe ideeën kunnen oude machines en mensen efficiënter werken. Maar zit de innovatie niet vaak juist in nieuwe machines, in plaats van ideeën? Toen ik nog groeitheorie doceerde, kende ik maar één goed voorbeeld voor een rechtstreekse TFP-verhoging: nieuwe software voor de computer (meestal).

Groot was dus mijn blijdschap toen ik gisteravond een gaaf nieuw voorbeeld ontdekte. Tijdens de teamsprint vrije stijl (gewonnen door de Noren, gefeliciteerd) vertelde de commentator dat deze manier van langlaufen nog niet zo oud is. In het traditionele langlaufen beweegt men de skis langs elkaar door een spoor. In de jaren ’80 (alweer) ontdekte de Fin Pauli Siitonen dat je veel sneller kunt door met de skis een schaatbeweging te maken. Sindsdien kent het langlaufen wedstrijden in de “vrije stijl”, die een stuk sneller verlopen worden. Hebt u dat? Zelfde mensen, zelfde skis, nieuw idee en dus sneller vervoer. Dat is winst in de afdeling TFP.