Robert Hall en Michael Woodford

Het Nobelprijscomité blijft maar prijzen uitdelen aan macro-economen, recht tegen ons advies in. En dus valt het opnieuw aan mij, de macro-econoom van deze site, om u te vertellen wat Hall en Woodford precies hebben gedaan. En een beetje snel, want andere economenblogs en kranten zijn al begonnen.

Het treft: 28 jaar geleden mocht ik in Wageningen een cursus monetary policy rules volgen bij professor Woodford zelf. Mijn verslag is hier te lezen en geeft, al zeg ik het zelf, een puik overzicht van de essentie van zijn werk.

Dat ik hier kan leunen op dit stokoude verslag geeft al aan dat deze prijs niet volgt uit een recente ontdekking. Het Nobelcomité lijkt weer terug bij de oeuvreprijs voor belangrijk werk uit het verleden. In dit geval de jaren ’70 en ’80, waarin de oude structuurmodellen het steeds slechter gingen doen.

Die modellen relateerden macro-grootheden (zoals de totale consumptie in een economie en rente) aan elkaar. Maar de totale consumptie, dat is de som van wat alle mensen individueel doen. En van mensen mogen we aannemen dat ze niet alleen naar de huidige situatie kijken, maar dat ze ook verwachtingen hebben over de toekomst. Daarom kan consumptie bewegen op een manier die (als je alleen kijkt naar de huidige data) onverklaarbaar is.

Hall en Woodford maakten een model waarin consumenten vooruit kijken. Daarmee kwam er een “micro”-fundering voor macro-grootheden. (Micro tussen aanhalingstekens, want echte interactie tussen verschillende mensen was er in de modellen niet.)

Conclusie: wat mensen verwachten, doet ertoe. Dat opende de deur voor het beïnvloeden van die verwachting, bijvoorbeeld door vaste beleidsregels. Vooral centrale banken maken daar tot de dag van vandaag gebruik van, en houden nauwkeurig bij of de inflatieverwachtingen nog “verankerd” zijn. Dat zijn ze, als mensen verwachten dat eventuele inflatie snel de kop wordt ingedrukt.

Het is een interessante tijd voor dit model, want de inflatie is hoog en toch verwachten mensen dat die snel weer richting 2% beweegt. Dat is het resultaat van jaren betrouwbaar beleid. Maar om dat vol te houden, moeten centrale banken niet alleen dreigen met maatregelen, maar ze ook af en toe uitvoeren. En dus zien we nu renteverhogingen tijdens een energieschok, wat de pijn nog wat erger maakt. Het is te hopen dat politici net zoveel waardering voor dit model houden als de economen in Stockholm.

Nobelprognose 2026

Het is alweer de 21e Nobelprijsprognose. Ook dit jaar wordt de Nobelprijs Economie weer bekendgemaakt op de maandag in de week na de reguliere prijzen om 11:45. Wie niet kan wachten kan nu vast de livestream aanzetten.

Voor onze voorspelling kunnen we ons dit jaar ook op de wetenschap baseren. Thijs maakte in april al melding van een artikel van Peter Dolton en Richard Tol, warm aanbevolen voor iedereen die geïnteresseerd is in de prijs en de manier waarop die wordt toegekend. Dalton en Tol doen een empirische analyse van wie de prijs wint. Hun belangrijkste conclusie is dat daar verdraaid weinig over te zeggen valt. Wat wel blijkt is dat de commissie zoveel mogelijk de vakgebieden waarin de prijs valt, probeert af te wisselen, een hypothese die we bij onze prognoses ook al regelmatig hebben geponeerd. Ook lijkt de commissie eerst een vakgebied te zoeken en daarna pas een aantal personen binnen dat vakgebied.

Vorig jaar ging de prijs naar economische groei en technologische vooruitgang in de personen van Mokyr, Aghion en Howitt. Dit jaar moeten we dus in een andere richting zoeken. Wat wel opvalt is dat de prijs tot een slordige tien jaar geleden vaak richting micro-economie en speltheorie ging, terwijl de laatste tijd met name economische groei, ontwikkeling en geschiedenis populair lijken.

Voor onze voorspelling is in het artikel van Dalton en Tol vooral interessant hun overzicht (Tabel 4) van nog levende economen die op basis van de empirische analyse de prijs eigenlijk al hadden moeten winnen. In volgorde van afnemende miskendheid zijn dat Besley, Barro, Tabellini, Loewenstein, Persson. Barro hebben we in deze kolommen al veel vaker genoemd en zelfs voorspeld. Loewenstein doet gedragseconomie maar lijkt niet prominent genoeg. Besley, Tabellini en Persson doen allemaal politieke economie en zouden de prijs prima kunnen delen. Interessante optie. Nu is Persson wel een Zweed die zelf jarenlang (tot 2020) in het Nobelcomité heeft gezeten. Maar toch.

Als rechtgeaarde economen hechten we uiteraard ook veel waarde aan wat de markt zegt. Gelukkig is er nu een voorspelmarkt, op Kalshi. Ook daar geen uitgesproken favoriet, al gooien Pakes en Athey hoge ogen. Op NPR staat een aardig artikel over de koplopers.

Pakes tipten we vorig jaar al, Athey heeft een duizelingwekkende publicatielijst en bijvoorbeeld dingen gedaan op het gebied van machine learning, misschien een leuk haakje voor het comité. Kan ze de prijs bijvoorbeeld delen met Lawrence Katz, die onder meer geschreven heeft over de invloed van AI op de arbeidsmarkt. Nog geiniger: Athey is getrouwd met Imbens (winnaar in 2021), Katz met Goldin (winnaar in 2023). Echtgenoottechnisch dus een aantrekkelijke combi, inhoudelijk misschien toch wat minder.

Clarivate dan? Die komt dit jaar op de proppen met Athey en Varian, Woodford, of Winter. Geen van drieën lijkt me heel realistisch.

Welke opties uit het verleden hebben we nog liggen? Trouwe lezers weten dat we al twintig jaar hopen op Dixit, maar dat die hoop inmiddels wel zo’n beetje vervlogen is. Een prijs voor internationale handel zou nog steeds een prima optie zijn. Het trio Grossman/Helpman/Melitz ligt dan voor de hand.

Maar, gesterkt door de voorspelmarkt, houden we het ook dit jaar op Steven Berry en Ariel Pakes, voor “their contributions to the structural estimation of industrial organization models and their applications to competition policy and regulation.”

Waarvan akte.

Hersenonderzoek

Nobelprijzen, schrijven we nog wel eens ergens anders over? Het onderwerp moet deze maand in ieder geval weer enkele berichten opleveren.

Hier is er alvast één: de prijs voor Geneeskunde werd zojuist toegekend aan onderzoekers op het gebied van hersenfuncties. Zij vroegen zich af waar in het hoofd welke herinnering precies ligt opgeslagen.

Mooi werk, met economische toepassingen! We zaten er in 2012 al bovenop.

Nobelprijs economie 1901-1976

Berichten over de Nobelprijs economie zijn een jaarlijks hoogtepunt op deze site. Daarom moeten we ook even melding maken van dit paper van Peter Dolton en Richard Tol (via MR). Hun zware werk bestaat uit het modelleren van het proces van prijstoekenning: welke rol speelt het veld, het netwerk, de personen in de jury? Nu er inmiddels 57 uitreikingen zijn geweest, kun je daar een redelijke analyse van maken. Opmerkelijk is onder meer de langdurige invloed van arbeidseconoom en voorzitter Assar Lindbeck op de keuze.

Bij de nieuwe prognose zullen we daar nog eens goed naar kijken. Maar voor nu even aandacht voor het toetje van dit paper. Dat heeft te maken met het grote verdriet van de Nobelprijs economie: het is Geen Echte Nobelprijs maar een prijs die in 1969 is ingesteld door de Zweedse centrale bank. Echte Nobelprijzen zijn er al sinds 1901.

Tol en Dolton vragen zich af hoe de lijst eruit gezien had als Alfred Nobel meteen in 1901 een Nobelprijs economie had ingesteld. Voor zover ik kan zien doen ze dat buiten hun eigen theorie om, met behulp van vier LLM-modellen. Dat is weinig wetenschappelijk, maar het resultaat is om te smullen. Klik hier voor de volledige lijst, die begint met Leon Walras (1901) en via Marshall (1910), Pareto (1915) uitkomt bij Schumpeter (1930), Keynes (1938) en Knight (1951). Nederlanders niet getreurd, Tinbergen krijgt zijn prijs 9 jaar eerder en ook Koopmans schuift naar voren. Dat geeft wat nieuwe namen in de jaren ’60-’70, maar na 1976 is de lijst identiek met de echte.

De Nederlandse wortels van Joel Mokyr

In veel berichtgeving (onder andere bij de NOS) is al vermeld dat Joel Mokyr, een van de Nobelprijswinnaars van vandaag, Nederlandse wortels heeft: hij is geboren in Leiden.

Maar de wortels gaan nog veel dieper. In 1999 gaf Mokyr een workshop in Tilburg en volgens onze bronnen (bedankt Ben! via Pim!) vertelde hij daar dat hij is geboren als Joel Mok. Eenmaal in Israël werd die naam verbasterd tot Mokyr, iets dergelijks scheen wel vaker voor te komen onder Nederlandse Joden die naar Israël emigreerden. Zijn broer was, nog steeds met de achternaam Mok, lange tijd verbonden als hoogleraar aan de rechtenfaculteit aan de Universiteit van Groningen en jarenlang actief als advocaat-generaal van de Hoge Raad. Het valt niet mee om online bronnen te vinden voor deze familiebanden, maar uiteindelijk stuitten we op een aantal genealogische websites die de link bevestigen.

Volgens die info was ook vader Salomon prominent jurist: hij was gespecialiseerd in arbeidsrecht, zat in de Amsterdamse gemeenteraad en was voorzitter van de Raad van Arbeid in Leiden.

En mocht u zich afvragen waarom de industriële revolutie niet in Nederland plaatsvond, ook daar schreef Mokyr over.

Mokyr, Aghion en Howitt

Een Nobelprijs voor endogene groeitheorie, hadden we die niet al eens eerder gehad? Jazeker, in 2018, toen Paul Romer de eer moest delen met William Nordhaus. Het is dan ook tamelijk onverwacht dat er nog drie groei-economen aan het lijstje der winnaars worden toegevoegd. Aan de andere kant, dit is een vakgebied dat in de jaren ’90 van de vorige eeuw veel nieuwe ideeën opleverde, en een groot aantal van de sterren van het veld. Voor het eerst werd er echt vooruitgang geboekt, na het Solow-model uit 1956.

Van de drie is Mokyr degene die zich bezighoudt met het fascinerende (en tegenwoordig vaak wegbezuinigde) vak economische geschiedenis. Geboren in Leiden, en gepromoveerd op een proefschrift over groei in de Lage Landen, kwam je hem geregeld tegen bij Nederlandse conferenties en seminars. Zijn gave is om in de historie een economisch mechanisme te ontdekken dat verklaart waarom er sinds de industriële revolutie vrijwel continuë groei is, en daarvoor niet. Zoals het comité uitlegt heeft dat te maken met het soort kennis dat wordt ontwikkeld, dat dieper moet gaan dan alleen praktische instructies.

Aghion en Howitt zijn de theoretici, die de logica van kennisopbouw gevangen hebben in een model. Dat had Romer ook al gedaan, maar het vernieuwende van deze twee was dat ze specifiek keken naar de gevolgen van concurrentie tussen innoverende bedrijven, iets dat Romer slim had omzeild. In het kort is het dilemma daar als volgt: wie investeert in kennis, verwacht daar vervolgens iets mee te verdienen. Maar als je pech hebt, komt er al snel een concurrent die óók investeert en nóg iets beters vindt. Omdat je dan uit de markt gedrukt wordt, kun je niet de volledige waarde van je kennis realiseren. Dat leidt tot onderinvestering. Aan de andere kant houdt die concurrent ook geen rekening met de schade die hij bij jou aanricht. Allemaal externaliteiten, die leiden tot een theorie over concurrentie, marktmacht en innovatie.

Bij Howitt heb ik nog wel eens een cursus gevolgd, waarvan me tot mijn schande vooral is bijgebleven dat hij, als Canadees, “oet” zei in plaats van “out”. En hoewel twee van de drie laureaten gewoon in de VS werken, lijkt ook bij deze prijs dit jaar met zorg een internationaal gezelschap geselecteerd en staat in het persbericht een waarschuwend woord dat Amerikaanse economen moet doen huiveren:

[innovation] creates conflicts that must be managed in a constructive manner. Otherwise, innovation will be blocked by established companies and interest groups

Nobelprognose 2025

Daar is ie dan. Onze 20e Nobelprijsprognose. Voorwaar tijd voor een feestje. De prijs zelf valt aanstaande maandag, in de week na de reguliere prijzen, om 11:45. Inmiddels ook al een traditie.

Vorig jaar vielen Acemoglu, Johson en Robinson in de prijzen, wegens antwoorden op grote vragen over welvaartsverschillen tussen landen. Dat beperkt het veld van kanshebbers voor dit jaar aanzienlijk. Een prijs op het gebied van groei of macro (Barro!) lijkt dit jaar daarom uitgesloten, Maar ook eentje voor internationale handel (Dixit! Helpman! Grossman! Melitz!) ligt dan minder voor de hand, dat gaat immers ook over internationale dingen tussen landen en het Nobelcomité varieert graag een beetje van jaar tot jaar (hoewel zo’n prijs uiteraard wel actueel zou zijn, gezien de bijzondere inzichten van de huidige Amerikaanse president op dit terrein).

Maar wie dan wel!? Arbeidseconomie viel in 2023 nog in de prijzen (en een beetje in 2021), monetair en financiële markten in 2022 en econometrie in 2021. Daarvoor kwamen hardcore microtheorie (2020), ontwikkelingsexperimenten (2019) en milieu en groei (2018) al langs. Al deze vakgebieden liggen daarom minder voor de hand.

De Clarivate voorspellingen dan. Ooit begonnen als die van Thomson Scientific, maar die zijn inmiddels gefuseerd. Elk jaar worden deze voorspellingen uitgebracht door een bedrijf dat citaties turft en databases met wetenschappelijke publicaties verzorgt. Hun voorspellingen zijn dan ook gebaseerd op citaties en vooral een marketing gimmick. Maar dat doen ze inmiddels zo overtuigend dat sommige nieuwsorganisaties de Clarivate aankondigingen inmiddels met serieus nieuws verwarren. Voor economie tipt men dit jaar Autor en Katz; Bertrand en Mullainathan; en Bloom. Dat is twee keer arbeidseconomie en een keer technologie en productiviteit. Zeker dit jaar lijkt geen van deze drie opties me echt serieus te nemen, wegens te jong en/of te kort na andere prijzen op vergelijkbare onderwerpen.

Vrijwel alle opties die we jaarlijks noemen hebben dus óf de prijs al gekregen, óf zijn voor dit jaar geen realistische optie. Het wordt dus tijd om het over een heel andere boeg te gooien.

De Sveriges Riksbank Prize in Economic Sciences in Memory of Alfred Nobel gaat dit jaar naar Steven Berry en Ariel Pakes voor

their contributions to the structural estimation of industrial organization models and their applications to competition policy and regulation.

In het verlengde dus van de prijs in 2014. Jean Tirole kreeg hem toen voor zijn theoretisch werk op het gebied van concurrentie en regulering: Berry en Pakes gaan hem nu krijgen voor het mogelijk maken van empirisch werk op dat gebied. Ze ontwikkelden methoden om vraag en aanbod in markten met gedifferentieerde producten te schatten, en die inmiddels standaard zijn om de effecten van fusies, nieuwe producten en beleid te voorspellen. Dat begon met het inmiddels klassieke Berry, Levinsohn en Pakes (1995). Maar waar Levinsohn weer andere dingen ging doen, bouwden Berry en Pakes de benadering verder uit.

Misschien gaat het Nobelcomité er nog een derde naam aan toevoegen, anders is het helemaal zo sneu voor Levinsohn. Het maximale aantal laureaten is nu eenmaal drie. John Rust is dan een optie. Overigens heeft deze liefhebber alvast de complete wetenschappelijke achtergrond voor het Nobelcomité geschreven, mocht u meer willen weten. Hij noemt Hausman als derde, maar dat lijkt me niet waarschijnlijk.

Aanstaande maandag om 11:45 weten we het zeker.

Acemoglu, Johnson en Robinson

Het weblog Marginal Revolution zat ernaast dit jaar met hun voorspelling dat Robert Barro de Nobelprijs economie zou pakken. Onze voorspelling van Dixit was niet veel beter, maar ik begin over MR omdat de schrijvers een interessant voorbehoud maakten over Barro:

The status of cross-country growth regressions has fallen greatly.

Daarbij hebben ze het over zijn werk van begin jaren ’90, waarin hij groeiverschillen tussen landen verklaart met data zoals inkomen per hoofd, klimaat, opleidingsniveau, corruptie en nog een groot aantal andere kenmerken. Later kwamen economen er achter dat een groot probleem met de Barro-regressies is dat de verklarende variabelen niet exogeen zijn. Dat wil zeggen, als je vindt dat landen met een hoge corruptie langzamer groeien, dan wil dat nog niet zeggen dat de corruptie het gebrek aan groei verklaart. Immers, het kan omgekeerde kan ook het geval zijn.

De drie laureaten van dit jaar proberen ook de verschillen in welvaart tussen verschillende landen te verklaren, maar gingen zorgvuldiger te werk. Ze merkten op dat instituties (het geheel van regels, wetten, handhaving, en politieke besluitvorming in een land) inderdaad niet los staan van groei, en vice versa. Hoe kom je erachter wat hier de kip en het ei is? Het belangrijke inzicht is dat instituties over tijd zeer persistent zijn, en dat bij landen die begonnen als kolonie de oorsprong van de instituties te maken heeft met de economie ten tijde van de kolonisatie.

Dat leidt tot de “omkering van het geluk” (reversal of fortune). In landen waar door klimaat, ligging, grond etc. de productiviteit hoog was, kozen de kolonisatoren voor extractieve instituties waarbij de bevolking maar weinig rechten had. Denk bijvoorbeeld aan het cultuurstelsel dat Nederland in Nederlands Indië introduceerde. In kolonies waar maar weinig geproduceerd werd, legden de instituties meer nadruk op de rechten van het individu. Dat was nodig om meer kolonisten te verleiden om te komen.

Omdat die rechten van het individu op termijn nou juist tot hogere groei leiden (door ondernemerschap, investeringen en innovaties) zie je dus het merkwaardige verschijnsel dat landen die eeuwen geleden rijk waren, nu relatief arm zijn terwijl het rijkste en machtigste land ter wereld begon als een relatief arme kolonie. Zoals gebruikelijk legt de Zweedse academie het ook weer goed uit. Met Robinson schreef Acemoglu het boek Why nations fail, dat uitgebreid op het effect van instituties ingaat.

Vooral voor Acemoglu was het niet de vraag of hij ooit een Nobelprijs zou krijgen, maar meer wanneer en waarvoor. Met een H-index van 175 is hij de meest productieve econoom van zijn generatie. Eerder bespraken we op deze site al werk van hem op enkele van zijn vele terreinen. De andere twee winnaars zijn minder veelzijdig, maar hebben geluk dat de commissie lijkt afgestapt van het idee van een oeuvreprijs en nu specifieke ontdekkingen in het zonnetje zet.

In de categorie trivia valt tenslotte op dat dit de eerste Nobelprijs is voor drie mannen met een naam die op “zoon” eindigt (waarvan twee in het Engels en een in het Turks). En de prijs heeft dit jaar een sterk Brits karakter: Johnson en Robinson zijn Britten en Acemoglu studeerde in York en Londen. Dat past goed bij het onderwerp kolonisatie, zullen we maar zeggen.

Nobelprognose 2024

Hij komt er weer aan. Maandag, de 56e toekenning van de Nobelprijs Economie. Tijd dus voor onze 19e Nobelprognose, een traditie die we, inderdaad, al sinds 2006 in stand houden. Vorig jaar ging de prijs naar Claudia Goldin, een naam die we tipten in 2021, samen met Card en Angrist. De laatste twee vielen toen wel in de prijzen, Goldin moest nog twee jaar wachten.

Al even traditioneel als onze prognose is de jaarlijkse constatering dat het nu toch echt tijd wordt voor Avinash Dixit, waarvan akte. Dixit was (en is nog steeds) actief op veel terreinen, dus het Nobelcomité heeft de motivatie voor het uitkiezen. Hier trouwens een mooi interview met de man. De combinatie met bijvoorbeeld Helpman en Grossman noemden we al vaker, de prijs zou dan kunnen gaan naar internationale handel. Misschien best aardig in een tijd dat er in de VS een presidentskandidaat rondloopt die claimt dat fiks hogere importtarieven betaald worden door het buitenland en uiteindelijk zelfs leiden tot lagere voedselprijzen, en er sowieso steeds meer weerstand lijkt te ontstaan tegen alles wat internationaal is.

Trouwens, voor iedereen die nu weer begint te foeteren dat deze Prijs Geen Echte Nobelprijs Is: dit is een aardig artikel dat betoogt dat de EconomieNobel juist veel passender is dan al die andere: “The whole point of the awards is to reward, and therefore encourage, efforts to improve the lot of humankind. It so happens that this is the point of economics too.“

Tegenwoordig is er een optie die we in 2006 nog niet hadden. We kunnen het gewoon ChatGPT vragen. Op Twitter deed iemand dat. De suggesties? Woodford, Athey, Barro, Acemoglu, Jackson, Kreps. Nu heeft AI nog vaak last van hallucinaties, maar dit lijstje is bepaald niet onzinnig. Met name Barro en Acemoglu noemden we al veel vaker. Athey lijkt ook kanshebber voor de langere termijn. Misschien is Acemoglu nog steeds te jong, hoewel inmiddels 57 en wel onze prognose van 2022. Barro wordt veel vaker genoemd, dit jaar ook bij Marginal Revolution. Anderzijds: wie Barro googlet vindt vooral verwijzingen naar het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening. Ik betwijfel of dat een goed teken is.

Vorig jaar voorspelden we nog Glaeser. Misschien toch teveel een long shot.
De top drie lijkt dan: Barro, Dixit en Acemoglu. Na met name Bernanke in 2022 is het misschien nog te vroeg voor weer een macroprijs. Blijft alleen Dixit over, en gaan we er van uit dat de prijs naar internationale handel gaat.

Wie mag dan meedelen? Volgens de regels kan de prijs aan maximaal drie mensen worden toegekend. Grossman en Helpman noemden we al. Melitz deed deze eeuw baanbrekend werk over heterogene bedrijven, ook het onderwerp van een Nobel symposium volgend jaar. Misschien zelfs Bhagwati of Obstfeld. Een lokale deskundige tipte al eens de combi Dixit/Helpman/Melitz. Worst-case scenario: Helpman/Grossman/Melitz, want dan kan Dixit het definitief vergeten.

De prijs gaat dit jaar dus naar Dixit, Grossman en Helpman. Aanstaande maandag, om 11:45 weten we het zeker.