Nobel 2017

Maandag gaat ie weer vallen. De Nobelprijs Economie (en ja ja, we weten inmiddels dat het geen echte Nobelprijs is). De aankondiging vindt dit jaar merkwaardig genoeg plaats om 11:45. Hier kunt u alvast warmlopen voor de livestream. Trouwe lezers weten al dat we ieder jaar een poging doen de winnaar te voorspellen. Dit jaar alweer voor de twaalfde keer.

Best leuk om het lijstje kanshebbers van 2006 er nog eens bij te pakken, de allereerste voorspelling:

Alchian, Baghwati, Demsetz, Diamond, Dixit, Fama, French, Hart, Holmstrom, Jorgenson, Maskin, Milgrom, Myerson, Krugman, Thaler, Tullock, Williamson, Wilson.

Van het toenmalige lijstje van 18 kandidaten hebben inmiddels 8 de prijs gekregen (Diamond, Fama, Hart, Holmstrom, Maskin, Myerson, Krugman, Williamson). Alchian en Tullock zijn niet meer. French ligt niet voor de hand nu Fama hem al heeft. Blijven er nog 7 kandidaten over.

Clarivate Analytics (voorheen Thomson) heeft ook weer een lijstje kanshebbers: Camerer/Loewenstein, Hall, en Jensen/Myers/Rajan. Geen van de drie combinaties lijken me heel erg voor de hand liggen.

Vorig jaar noemden we al Blanchard, omdat macro misschien wel weer eens aan de beurt was. Maar blijkbaar vond het Nobelcomite, na Jean Tirole, twee Fransen achter elkaar toch iets teveel van het goede. Misschien dat Blanchard dan dit jaar mag. En anders? Zoals u al weet begint het zo langzamerhand toch wel een schandaal te worden dat Avinash Dixit nog nooit gewonnen heeft. Qua voorspelling zouden we dus ook gewoon weer terug kunnen naar die eerste voorspelling van 11 jaar geleden, toen we Dixit en Baghwati tipten, voor het vakgebied internationale handel. En als de prijs naar dat vakgebied gaat zouden Grossman en Helpman, de tip van vaste lezer Bart, ook een mogelijkheid zijn.

Nobel 2016

De economieprijs wordt pas maandag toegekend, maar Nobel-technisch kan het jaar natuurlijk al niet meer stuk. Vanuit mijn werkkamer op de zevende verdieping van het Duisenberg gebouw kijk ik uit op de scheikundigen, waar gisteren nog een Nobelprijs viel. Inderdaad. Er gaat niets boven Groningen. Maar dat wist u al.

Hoe dan ook. Het is de hoogste tijd voor onze traditionele Nobelprognose (zie eerder hier, met de verwijzing naar alle voorgaande jaren). Thomson (eerdere berichtgeving) noemt dit jaar Blanchard, Lazear en Melitz. Allemaal respectabele keuzes, al lijkt Melitz me nog veel te jong. Blanchard is ook publiekslieveling, volgens de Thomson poll. En nu we het toch over te jong hebben: John List en Daron Acemoglu gaan allebei ongetwijfeld nog eens winnen maar zijn nu, inderdaad, nog veel te jong. Bij Marginal Revolution worden twee mogelijkheden genoemd: Baumol enerzijds, en Nordhaus/Dasgupta/Weitzman anderzijds. In die eerste geloof ik niet, de laatste zou een goede optie zijn. Zelf hoop ik eigenlijk nog steeds op een tweede prijs voor Arrow (dat mag!), of anders Dixit. Misschien Milgrom.

De laatste macroprijs is alweer 5 jaar geleden, misschien wordt het dus weer eens tijd. Groei zou dan kunnen, maar die had dan een paar jaar geleden al moeten vallen. Als toch, dan komen Barro en Romer weer in beeld, al is die laatste sinds kort hoofdeconoom van de wereldbank, dus misschien ligt dat wat gevoelig. Laten we het dus toch maar op Olivier Blanchard houden. Inderdaad, weer een Fransman.  Maandag om 11:45 weten we meer.

Tenslotte. Zes jaar geleden meldden we al dat ook in een aflevering van de Simpsons een Nobelvoorspelling zat, hier een screenshot. De economen die daar genoemd werden, Bhagwati, Holmstrom, Dixit en Helpman, zijn allemaal nog serieuze kanshebbers. Maar kijk vooral eens wie voor de scheikundeprijs voorspeld werd.

Nog een rondje Deaton

In het Nederlands:

Robert Inklaar bij MeJudice

Arthur van Soest bij economie.nl

Jesse Frederik bij de Correspondent

Mathijs Bouman bij RTL-Z (met bewegend beeld!)

 

In het Engels:

Justin Wolfers in de New York Times

Cass Sunstein bij Bloomberg

Angus Deaton over zichzelf, een biografisch essay

En, oh ja, lees vooral niet Peter de Waard in de Volkskrant vanochtend. Zelden zo’n zuur en slecht geinformeerd stuk gelezen.

Deaton over ontwikkelingshulp

Unfortunately, the world’s rich countries currently are making things worse. Foreign aid – transfers from rich countries to poor countries – has much to its credit, particularly in terms of health care, with many people alive today who would otherwise be dead. But foreign aid also undermines the development of local state capacity.

This is most obvious in countries – mostly in Africa – where the government receives aid directly and aid flows are large relative to fiscal expenditure (often more than half the total). Such governments need no contract with their citizens, no parliament, and no tax-collection system. If they are accountable to anyone, it is to the donors; but even this fails in practice, because the donors, under pressure from their own citizens (who rightly want to help the poor), need to disburse money just as much as poor-country governments need to receive it, if not more so.

What about bypassing governments and giving aid directly to the poor? Certainly, the immediate effects are likely to be better, especially in countries where little government-to-government aid actually reaches the poor. And it would take an astonishingly small sum of money – about 15 US cents a day from each adult in the rich world – to bring everyone up to at least the destitution line of a dollar a day.

Yet this is no solution. Poor people need government to lead better lives; taking government out of the loop might improve things in the short run, but it would leave unsolved the underlying problem. Poor countries cannot forever have their health services run from abroad. Aid undermines what poor people need most: an effective government that works with them for today and tomorrow.

One thing that we can do is to agitate for our own governments to stop doing those things that make it harder for poor countries to stop being poor. Reducing aid is one, but so is limiting the arms trade, improving rich-country trade and subsidy policies, providing technical advice that is not tied to aid, and developing better drugs for diseases that do not affect rich people. We cannot help the poor by making their already-weak governments even weaker.

Het hele verhaal staat hier (via).

Nobelprognose

Jawel. Het is herfst. Ze beginnen weer te vallen. De Nobelprijzen. Traditiegetrouw is de economieprijs als laatste aan de beurt, volgende week maandag. Als grote finale en apotheose. En al even traditiegetrouw doen wij weer een gooi naar de winnaars (In het verleden hier, hier , hier, maar ook hier, hier, hier, hier, hier, en hier) Meestal zitten we er naast. U kent dat wel, economen en voorspellen. Maar soms hadden we het zelfs goed. Of, nog beter, was de uitslag als gehoopt.

Thomson (eerdere berichtgeving) komt dit jaar met een heel respectabel rijtje: Richard Blundell, John List, en Charles Manski. (Terzijde: de methodologie van Thomson kan ik niet helemaal volgen. Men beweert dat hun voorspelling is gebaseerd op citaties, toch is hun lijstje van dit jaar volledig anders dan het lijstje van vorig jaar. Het lijkt me nogal onwaarschijnlijk dat de drie kanshebbers van dit jaar net precies gedurende het afgelopen jaar de drie kanshebbers van vorig jaar in citaties zijn voorbij gestreefd). Thomson schijnt ook nog een publiekspoll te hebben gehouden waar Blundell als winnaar uit kwam (methodologie ook hier onduidelijk).

Gelet op de ontwikkelingen in het vakgebied van de afgelopen tijd (gedragseconomie, steeds meer (veld-)experimenten en (micro-)empirie) is het eigenlijk nogal schokkend dat de laatste micro-econometrie prijs alweer 15 jaar geleden is (Heckman en McFadden). Dat wordt dus de hoogste tijd. Het Nobel-comite kan daar dan nog een leuke big-data draai aan geven, want dat is in. En als we het toch in die hoek gaan zoeken, dan is Blundell helemaal geen gekke keuze. In dezelfde categorie tipten we ook al eens Atkinson en Deaton. John List (veldexperimenten) gaat vast ook nog een keer winnen, maar daarvoor lijkt het nu nog veel te vroeg. Laten we het dus maar houden op een prijs voor Richard Blundell. Alvast van harte.

En, oh ja, uiteraard zijn er ook dit jaar de al even traditioneel stampvoetende betweters die roepen dat-dit-helemaal-geen-echte-Nobelprijs-is! (zie ook Dilbert) Alsof het aannemen van bloedgeld van een negentiende-eeuwse wapengigant de hoogst denkbare eer is (zie ook Justin Wolfers).

Meer Jean Tirole

Eigenlijk kent het Nobelcomite de prijs altijd toe aan één concrete bijdrage en niet aan verzameld werk. Bij Tirole ligt dat anders; hij krijgt de prijs in feite omdat hij zo ontzaglijk veel bijdragen heeft geleverd. De wetenschappelijke verantwoording van het Nobelcomite heeft 52 pagina’s nodig om al die bijdragen op te sommen. De draai die daar aan wordt gegeven? Zijn belangrijkste bijdrage is nu juist om aan te tonen dat waar het regulering en mededingingsbeleid geldt, er geen algemene regels zijn en dat de details van de specifieke industrie er toe doen. Slim. (Zie bijvoorbeeld Wolfers in de NYT).

In de NYT ook een mooi artikel over de relevantie van Tirole voor de internetecon0mie, met overzicht van ‘s mans werk over  two-sided markets, plus een kort maar lezenswaardig interview. De man blijft bescheiden:

I should pay attention to what I know and not talk more just because I won a Nobel Prize […] I’m worried that my new state might mean that people take everything I say seriously.

In het Nederlands valt er weer weinig zinvols te vinden over de prijs. Het bericht van het ANP is nogal pijnlijk. De persdienst haalt de onvermijdelijke Sylvester Eijffinger aan:

,,De grote verdienste van Tirole is het monumentale werk ‘Industrial Organisation’ dat hij schreef samen met Jean-Jacques Laffont”, zegt Eijffinger. ,,Dat gaat over een vakgebied dat daarvoor niet bestond.”

Tja. Ten eerste heet het boek net even anders, ten tweede is het niet geschreven met Laffont, want dat was dit boek, ten derde is het boek in feite een enorm literatuuroverzicht, dus nogal curieus om te beweren dat “het vakgebied daarvoor niet bestond”. Laten we maar hopen dat hij verkeerd geciteerd is. Het FD doet een poging maar lijkt te suggereren dat Tirole zou vinden dat “het verbieden van kartels vaak meer slecht doet dan goed”. Quote van de dag:

Dat klinkt allemaal misschien wat vaag, te meer omdat Tirole niet altijd even gemakkelijk te lezen valt. ‘Ik snap zelfs zijn dankwoord niet’, bekent een krantencollega die ‘The Theory of Corporate Finance’ in zijn boekenkast heeft staan.

Overigens kwam de berichtgeving op deze site over de Nobelprijs wat trager op gang dan u van ons gewend bent, waarvoor excuus. Uw reporter-van-dienst zat ten tijde van de bekendmaking namelijk middenin een promotie die ging over, nou ja, marktmacht en regulering (gefeliciteerd, Peter!)

Het is Jean Tirole!

Inderdaad, zoals (nou ja, toch deels) voorspeld, gaat de Nobelprijs dit jaar naar Jean Tirole, onwaarschijnlijk productief en invloedrijk, de allerbelangrijkste exponent van het vakgebied Industrial Organization, en auteur van minstens drie standaardwerken, over industriele organisatie, speltheorie en regulering. Dat hij de prijs krijgt is geen verrassing. dat hij hem nu al krijgt, op de ongewoon jonge leeftijd van 61, misschien meer. Officieel krijgt hij de prijs voor “market power and regulation”. Dat laastste suggereert dat Jean Jacques Laffont zou hebben meegedeeld als hij nog geleefd had.

Het schijnt dat Tirole meer dan 100 academische papers heeft (en bepaald niet in kinderachtige bladen), en meer dan 80.000(!) citaties (zie hier). Uiteraard heeft het Nobelcomite zelf weer uitstekende informatie (hier) en kan de geinteresseerde lezer ook prima terecht bij Marginal Revolution (hier).

(meer volgt)

Nobelprognose 2014

Het is weer oktober en ze beginnen te vallen: de Nobelprijzen. Traditiegetrouw is Economie de laatste in het rijtje (want geen echte Nobelprijs maar strikt genomen een Nobel Memorial Prize) en al even traditiegetrouw maken wij ons schuldig aan eindeloos speculeren over wie de prijs zal gaan winnen (hier bijvoorbeeld, hier, maar ook hier, hier, hier, hier, hier, en hier).

Vorig jaar wist ondergetekende nog met grote stelligheid te voorspellen dat Barro zou winnen. Helaas. Al beweren boze tongen dat Paul Krugman persoonlijk verantwoordelijk zou zijn voor het voorkomen van die prijs, en wel door dit strategisch getimede artikel. Al is dat misschien wat veel eer. Veel meer over die kwestie, en waarom de groeijongens wellicht toch de prijs zijn misgelopen in dit zeer lezenswaardige artikel.

Maar goed, wie wint dan wel? Thomson (eerder) geeft, net als elk jaar, 3 opties. Dit jaar zijn dat Aghion/Howitt (wel groei, maar niet voor de hand liggend, zeker niet zonder Romer) , Baumol/Kirzner (intrigerende optie) en Granovetter (moeilijk voostelbaar). Tyler Cowen houdt een warm pleidooi voor Baumol, hier een al even warm pleidooi voor Tony Atkinson. Grote namen die nog steeds met lege handen staan zijn wat mij betreft Dixit, Tirole en Milgrom.

Wie gaat dus winnen? Groei blijft een uitstekende kanshebber, met Barro en/of Romer. Ik hoop opnieuw op Tirole, Dixit en eigenlijk kunnen we Milgrom ook best aan dat rijtje toevoegen. En anders verdient Arrow best nog een Nobelprijs (dat kan!).

Maandag om 13:00 weten we meer.

Zijn Nobelprijswinnaars rabiaat rechts?

Op Twitter woede vorige week een korte maar hevige discussie naar aanleiding van een nogal curieuze column van Ewald Engelen waarin deze de Nobelprijs economie afdeed als een “effectieve witwasmachine voor rabiaat rechts economisch denken”, wat op Twitter leidde tot lijstjes van winnaars die toch best links zijn. Uiteindelijk bleek hij vooral de oorsprong van de prijs te bedoelen, niet de winnaars.

Hoe dan ook. Voor wie geinteresseerd is in de het gedachtengoed van Economieprijswinnaars is er nu het definitieve antwoord. Dit document geeft een gedegen analyse van 71 prijswinaars, hun politieke orientatie en, vooral, hoe die tijdens hun carriere opgeschoven is. Dat levert een erg mooi overzicht op voor iedereen met interesse in de recente geschiedenis van het economisch denken (via @economiewurm).

Ik moet toegeven dat ik nog niet de complete 467 pagina’s heb gelezen, maar figuur 2 op pagina 20 geeft al een aardige samenvatting, met Frisch, Leontief en Tinbergen als zeker uiterst links (of liever: least classical liberal) en Becker, Coase, Friedman, Hayek en Smith als zeker uiterst rechts (most classical liberal). Er staan zelfs meer economen aan de rechterkant van de tabel (en dus aan de linkerkant van het politieke spectrum, verwarrend genoeg) dan aan de linkerkant, maar dat kan een definitiekwestie zijn. Rabiaat rechts zijn ze gemiddeld dus zeker niet.