Nobelprognose 2026

Het is alweer de 21e Nobelprijsprognose. Ook dit jaar wordt de Nobelprijs Economie weer bekendgemaakt op de maandag in de week na de reguliere prijzen om 11:45. Wie niet kan wachten kan nu vast de livestream aanzetten.

Voor onze voorspelling kunnen we ons dit jaar ook op de wetenschap baseren. Thijs maakte in april al melding van een artikel van Peter Dolton en Richard Tol, warm aanbevolen voor iedereen die geïnteresseerd is in de prijs en de manier waarop die wordt toegekend. Dalton en Tol doen een empirische analyse van wie de prijs wint. Hun belangrijkste conclusie is dat daar verdraaid weinig over te zeggen valt. Wat wel blijkt is dat de commissie zoveel mogelijk de vakgebieden waarin de prijs valt, probeert af te wisselen, een hypothese die we bij onze prognoses ook al regelmatig hebben geponeerd. Ook lijkt de commissie eerst een vakgebied te zoeken en daarna pas een aantal personen binnen dat vakgebied.

Vorig jaar ging de prijs naar economische groei en technologische vooruitgang in de personen van Mokyr, Aghion en Howitt. Dit jaar moeten we dus in een andere richting zoeken. Wat wel opvalt is dat de prijs tot een slordige tien jaar geleden vaak richting micro-economie en speltheorie ging, terwijl de laatste tijd met name economische groei, ontwikkeling en geschiedenis populair lijken.

Voor onze voorspelling is in het artikel van Dalton en Tol vooral interessant hun overzicht (Tabel 4) van nog levende economen die op basis van de empirische analyse de prijs eigenlijk al hadden moeten winnen. In volgorde van afnemende miskendheid zijn dat Besley, Barro, Tabellini, Loewenstein, Persson. Barro hebben we in deze kolommen al veel vaker genoemd en zelfs voorspeld. Loewenstein doet gedragseconomie maar lijkt niet prominent genoeg. Besley, Tabellini en Persson doen allemaal politieke economie en zouden de prijs prima kunnen delen. Interessante optie. Nu is Persson wel een Zweed die zelf jarenlang (tot 2020) in het Nobelcomité heeft gezeten. Maar toch.

Als rechtgeaarde economen hechten we uiteraard ook veel waarde aan wat de markt zegt. Gelukkig is er nu een voorspelmarkt, op Kalshi. Ook daar geen uitgesproken favoriet, al gooien Pakes en Athey hoge ogen. Op NPR staat een aardig artikel over de koplopers.

Pakes tipten we vorig jaar al, Athey heeft een duizelingwekkende publicatielijst en bijvoorbeeld dingen gedaan op het gebied van machine learning, misschien een leuk haakje voor het comité. Kan ze de prijs bijvoorbeeld delen met Lawrence Katz, die onder meer geschreven heeft over de invloed van AI op de arbeidsmarkt. Nog geiniger: Athey is getrouwd met Imbens (winnaar in 2021), Katz met Goldin (winnaar in 2023). Echtgenoottechnisch dus een aantrekkelijke combi, inhoudelijk misschien toch wat minder.

Clarivate dan? Die komt dit jaar op de proppen met Athey en Varian, Woodford, of Winter. Geen van drieën lijkt me heel realistisch.

Welke opties uit het verleden hebben we nog liggen? Trouwe lezers weten dat we al twintig jaar hopen op Dixit, maar dat die hoop inmiddels wel zo’n beetje vervlogen is. Een prijs voor internationale handel zou nog steeds een prima optie zijn. Het trio Grossman/Helpman/Melitz ligt dan voor de hand.

Maar, gesterkt door de voorspelmarkt, houden we het ook dit jaar op Steven Berry en Ariel Pakes, voor “their contributions to the structural estimation of industrial organization models and their applications to competition policy and regulation.”

Waarvan akte.

Hersenonderzoek

Nobelprijzen, schrijven we nog wel eens ergens anders over? Het onderwerp moet deze maand in ieder geval weer enkele berichten opleveren.

Hier is er alvast één: de prijs voor Geneeskunde werd zojuist toegekend aan onderzoekers op het gebied van hersenfuncties. Zij vroegen zich af waar in het hoofd welke herinnering precies ligt opgeslagen.

Mooi werk, met economische toepassingen! We zaten er in 2012 al bovenop.

Mokyr, Aghion en Howitt

Een Nobelprijs voor endogene groeitheorie, hadden we die niet al eens eerder gehad? Jazeker, in 2018, toen Paul Romer de eer moest delen met William Nordhaus. Het is dan ook tamelijk onverwacht dat er nog drie groei-economen aan het lijstje der winnaars worden toegevoegd. Aan de andere kant, dit is een vakgebied dat in de jaren ’90 van de vorige eeuw veel nieuwe ideeën opleverde, en een groot aantal van de sterren van het veld. Voor het eerst werd er echt vooruitgang geboekt, na het Solow-model uit 1956.

Van de drie is Mokyr degene die zich bezighoudt met het fascinerende (en tegenwoordig vaak wegbezuinigde) vak economische geschiedenis. Geboren in Leiden, en gepromoveerd op een proefschrift over groei in de Lage Landen, kwam je hem geregeld tegen bij Nederlandse conferenties en seminars. Zijn gave is om in de historie een economisch mechanisme te ontdekken dat verklaart waarom er sinds de industriële revolutie vrijwel continuë groei is, en daarvoor niet. Zoals het comité uitlegt heeft dat te maken met het soort kennis dat wordt ontwikkeld, dat dieper moet gaan dan alleen praktische instructies.

Aghion en Howitt zijn de theoretici, die de logica van kennisopbouw gevangen hebben in een model. Dat had Romer ook al gedaan, maar het vernieuwende van deze twee was dat ze specifiek keken naar de gevolgen van concurrentie tussen innoverende bedrijven, iets dat Romer slim had omzeild. In het kort is het dilemma daar als volgt: wie investeert in kennis, verwacht daar vervolgens iets mee te verdienen. Maar als je pech hebt, komt er al snel een concurrent die óók investeert en nóg iets beters vindt. Omdat je dan uit de markt gedrukt wordt, kun je niet de volledige waarde van je kennis realiseren. Dat leidt tot onderinvestering. Aan de andere kant houdt die concurrent ook geen rekening met de schade die hij bij jou aanricht. Allemaal externaliteiten, die leiden tot een theorie over concurrentie, marktmacht en innovatie.

Bij Howitt heb ik nog wel eens een cursus gevolgd, waarvan me tot mijn schande vooral is bijgebleven dat hij, als Canadees, “oet” zei in plaats van “out”. En hoewel twee van de drie laureaten gewoon in de VS werken, lijkt ook bij deze prijs dit jaar met zorg een internationaal gezelschap geselecteerd en staat in het persbericht een waarschuwend woord dat Amerikaanse economen moet doen huiveren:

[innovation] creates conflicts that must be managed in a constructive manner. Otherwise, innovation will be blocked by established companies and interest groups

Nobel in de pers

Eindelijk weer eens een Nobelprijs die uit te leggen valt, en gelukkig springt de pers er flink op in:

Pieter Gautier en Mathijs Bouman bij de Wereld Draait Door.

Hans Peters bij Met Het Oog op Morgen (start op 33:20).

Thijs ten Raa op Radio 2.

Pieter Gautier op BNR. Sylvester Eijffinger op BNR.

En natuurlijk ondergetekende op Radio 1 en op Radio 2.

In het Engels staat  hier een leeslijstje.

Meer over Diamond/Mortensen/Pissarides

Verreweg de beste Nederlandstalige inleiding op het werk over markten met zoekfricties is de oratie van Pieter Gautier, vorig jaar afgedrukt in TPE (zie ook de column van Mathijs Bouman hierover, zijn bijdrage bij RTL-Z meldde hij al in de opmerkingen). Bij Mejudice hebben Gautier en van der Klauw het over de prijs. Mooi is ook het verhaal van Ed Glaeser in de New York Times. Paul Krugman is het roerend eens met de toekenning. Ook Marginal Revolution heeft weer veel info, hier bijvoorbeeld.

Wat ook aardig is om te melden is dat Peter Diamond in de running is voor een toppositie bij de Amerikaanse Centrale Bank, maar dat die benoeming tot nu door de republikeinen werd geblokkeerd. Deze Nobelprijs kon daar wel eens verandering in brengen.

Mortensen en Pissarides

Het werk van Diamond leverde een flinke literatuur op over markten met zoekfricties, bijvoorbeeld in de Industriële Organisatie, mijn vakgebied (zie bijvoorbeeld deze uiterst interessante bijdrage?¦). In die latere literatuur variëren consumenten bijvoorbeeld in hun zoekkosten, of zijn producten gedifferentieerd, waardoor de uitkomsten wat minder extreem zijn dan die van Diamond.

Een belangrijk toepassingsgebied van dergelijke zoekmodellen is de arbeidsmarkt, en dat is waar Mortensen en Pissarides actief zijn. In plaats van consumenten die een product zoeken gaat het dan om werkgevers die een geschikte werknemer zoeken, en werknemers die een geschikte baan zoeken. Ook dat levert fricties op, zodat er werkloosheid kan bestaan zelfs als er meer vacatures zijn dan werklozen. In zo’n wereld zijn werkloosheidsuitkeringen niet noodzakelijk verstorend, maar kunnen ze juist leiden tot een beter functionerende arbeidsmarkt, omdat ze werknemers de gelegenheid geven om rustig te zoeken naar een baan die echt bij ze past. Sowieso is het in markten met zoekfricties niet evident dat de vrije markt tot de meest ideale oplossing leidt, bijvoorbeeld omdat mijn zoekintensiteit gevolgen heeft voor jouw kansen op een baan (negatief), maar het werkgevers helpt om een goede werknemer te vinden (positief).

Zoals altijd heeft het Nobelcomite meer info (voor leken zowel als deskundigen)

Paul Krugman

Degenen die een politiek statement verwachten achter de toekenning van de Nobelprijs voor Economie aan Paul Krugman zullen niet hard hoeven zoeken. De columnist van de New York Times die sinds zijn aantreden van leer trok tegen George W. Bush en zijn beleid kreeg als eerste de classificatie shrill, waarmee gedoeld werd op het onbeleefde van zijn aanhoudende commentaar op de president. Kon hij niet ook eens wat aardigs schrijven?

Maar dat Krugman de prijs ook gekregen had zonder zijn columnistenschap staat buiten kijf. Als academisch econoom heeft hij maar liefst drie belangrijke innovaties op zijn naam. De eerste twee vonden plaats in het gebied van de internationale economie. Krugman ontwierp eind jaren tachtig het model van het gedrag van wisselkoersen die in een target zone zitten, een destijds veel voorkomend geval. Onder meer de landen van de huidige EU hielden op die manier hun munten losjes aan elkaar gekoppeld.

De andere innovatie was de handelstheorie op basis van monopolistische concurrentie. Waar de klassieke theorie alle handel verklaart uit comparatieve voordelen was het duidelijk dat dit in de praktijk niet klopte: tussen landen vond veel intra-industriële handel plaats, bijvoorbeeld in auto’s. Franse auto’s gingen naar Duitsland, Duitse naar Frankrijk. Dat kan niet als er alleen op basis van statische productiviteitsvoordelen gehandeld wordt.

De invloed van Krugman op academici was groot. Zo hing op de gang van de afdeling algemene economie van de RuG een serie portretten van klassieke economen, allemaal van voor de tweede wereldoorlog. Daarin dook eind jaren tachtig, niet ver van David Ricardo, ook een foto van Krugman op, uitgeknipt en wat onhandig in een lijst gefrommeld. Een rebellendaad ongetwijfeld op het moment van ophangen, maar met de toekenning van de hoogste economeneer vandaag niet eens zo onlogisch.

Inmiddels begon de academicus Krugman ook boeken voor het grote publiek te schrijven, met name uit frustratie over de lage kwaliteit van het publieke debat. Peddling prosperity en Pop internationalism zijn nog steeds goed leesbare en leuke boeken. Maar het was nog niet voorbij met de ontdekkingen. Krugman bedacht dat hij de theorie van Monopolistische Concurrentie ook kon gebruiken om een oud probleem uit de economie op te lossen, dat van de lokatietheorie. De verklaring van de grootte van steden en de lokaties van industrie als natuurlijke uitkomsten van handel en specialisatie zette hij uiteen in het leuke boekje Geography and Trade, dat leidde tot de geboorte van huidige Economische Geografie. Het Nobelcomité geeft aan dat hij de prijs krijgt “for his analysis of trade patterns and location of economic activity”, de laatste twee innovaties dus.

De modellen van Krugman zijn technisch zeer doortimmerd maar ook nog eens erg relevant. Het is een combinatie die maar weinig voorkomt binnen de economie. Een prima keuze voor de prijs. Al had het comité zich misschien wat meer bewust moeten zijn van de schaarste van dit soort mogelijkheden. Zoals Marco al aangaf was het goed mogelijk geweest deze prijs mede toe te kennen aan Avinash Dixit. Niet voor niets heet het model van monopolistische competitie het Dixit-Stiglitz model, en de laatste van die twee had de prijs al eerder gekregen.

Nobel!!!

Iedere econoom weet dat als buiten de bladeren gaan vallen, hetzelfde binnen afzienbare tijd ook geldt voor de Nobelprijs Economie. Jawel! Over tien dagen is het weer zover. U bent inmiddels van ons gewend dat wij naar hartelust speculeren wie de prijs gaat winnen, vorig jaar bijvoorbeeld en het jaar daarvoor ook.

Door deze voortdurende berichtgeving schijnt uw nederige verslaggever inmiddels dan ook al wijd en zijd bekend te staan als DE deskundige bij uitstek op het gebied van de Nobelprijs Economie. Toen economenvakblad ESB op zoek ging naar een expert om een licht te laten schijnen op de vraag wie dit jaar de prijs gaat winnen, kwam men dan ook al snel terecht bij ondergetekende. U vindt mijn reactie hieronder, of in de ESB van vandaag.

Overigens houdt Thomson (zie ook hier) het dit jaar op Hansen, Sargent en Sims.

Lees verder “Nobel!!!”

Lezen en kijken in de kerstvakantie

Wie nog een kadootje zoekt voor de kerstdagen kan eens een kijkje nemen op dit lijstje met de beste economieboeken van het afgelopen jaar. Onderaan het bericht staan ook wat links naar video’s met pratende economen. Nog niet op het lijstje maar vast en zeker de moeite waard (ik heb ze nog niet bekeken) zijn de Nobellezingen van de drie winnaars die afgelopen zaterdag plaatsvonden. Hier staan links. Hier staat een interview met Maskin en Myerson. Amusant is met name de naam van de interviewer: Adam Smith. Echt waar. Hij ziet er nog best jong uit.

Meer nieuws van het boekenfront: op 15 januari komt de nieuwe Tim Harford uit. Wij zijn benieuwd. En geloof het of het niet, maar kaskraker Freakonomics gaat verfilmd worden. Inderdaad: Freakonomics, The Movie. Het wachten is nu op de musical.