Piek arbeidsmarkt (update 3)

De tijd gaat altijd door, zoveel is zeker. Wie dit bericht over het pieken van de Nederlandse beroepsbevolking las toen het uitkwam, is inmiddels vijf jaar ouder. Maar afgezien van het feit dat iedereen elke twaalf maanden een jaar ouder wordt, is die demografie nog een lastig vakgebied.

Het idee was destijds simpel. Door de vergrijzing van de Nederlandse bevolking en de aanstaande pensionering van de babyboom-generatie leek het erop dat de arbeidsmarkt in Nederland wel eens over zijn hoogtepunt heen kon zijn, dat we het moment gepasseerd waren waarop het maximale aantal mensen in Nederland aan het werk was. Het aantal 15-64 jarigen was al sinds 2011 aan het krimpen, en de voorspelling was dat dit tot circa 2040 door zou gaan.

Maar het bleek ingewikkelder te liggen. Een jaar later zagen we toch weer een opleving in deze groep. Was het een laatste stuiptrekking? Toen we in 2013 weer keken was de groep weer aan het dalen, schijnbaar voorgoed.

Eens kijken wat het CBS er nu van zegt. We halen de bevolking 15-64 op, met de meest recente voorspelling erbij en, ter vergelijking, de voorspelling uit 2014.

Het beeld in 2014 is dat we de top drie jaar geleden gehad hebben. Maar dan begint het aantal 15-64 jarigen ineens weer op te lopen, en zitten we in oktober vorig jaar nog maar net onder het maximum van 2011. De prognose is inmiddels dat we daar nog ruim overheen gaan. Het zal de migratie wel zijn, het meest onvoorspelbare deel van de bevolkingsgroei, die de prognose zo heeft veranderd.

Met meer mensen in de werkzame leeftijd wordt het minder waarschijnlijk dat we de piek in de Nederlandse arbeidsmarkt al gehad hebben. Het record aan werkende Nederlanders stond tot dusver in de maand juli 2008.* Vorig jaar bleven we daar nog net een procentje onder.  Maar in juli 2017 sneuvelde het record van 8 jaar geleden. Er waren toen 7.601.000 mensen aan het werk, meer dan ooit tevoren.

Is dat dan de piek in de Nederlandse arbeidsmarkt? Door de seizoensinvloeden daalt het aantal werkenden inmiddels weer, maar op de achtergrond loopt de beroepsbevolking verder op. Zolang er geen recessie komt, is er een grote kans dat we in juli volgend jaar een nieuwe piek kunnen meten. En afgaande op de demografische prognose valt het uiteindelijke maximum nu ergens in de jaren ’20. Als er tussentijds niets verandert.

* Ik gebruik hiervoor het daadwerkelijke aantal werkenden, niet seizoensgecorrigeerd. Net als in de sport erken ik de invloed van externe factoren, maar ik ga er niet voor corrigeren.

Ouderen op de werkvloer

Let op mensen, er is vergrijzingsnieuws. Hoewel het tergend langzaam gaat vergeleken met de capriolen op financiële markten en in de politiek, wordt de samenleving langzaam ouder. Dat beïnvloedt de economie, stukje bij beetje, en het is goed om daar af en toe bij stil te staan.

In Nederland is de discussie over vergrijzing vaak een discussie over pensioenen, of meer algemeen over de behandeling van jong en oud in de welvaartsstaat. Maar wat betekent de veranderende verhouding tussen jong en oud eigenlijk voor de productiviteit van de economie in het algemeen?

Als er meer Nederlanders met pensioen zijn, zal dat de productie per Nederlander verlagen, simpelweg omdat er een kleiner deel van de Nederlanders aan het werk is. Dat effect speelt al vanaf een jaar of 55. Maar zelfs al blijven de 55-plussers aan het werk, wat gebeurt er met de productiviteit van de beroepsbevolking als hun aandeel toeneemt? Zorgen al die ervaring en wijsheid voor een hogere productie, of daalt de efficiëntie omdat opa niet weet hoe de computer aan moet?

Welnu, er is onderzoek gedaan dat deze vraag beantwoordt. Voor de Amerikaanse economie, dat wel, op basis van de verschillen tussen de leeftijdsopbouw in de vijftig Amerikaanse staten. Het volgende blijkt het geval: een toename van het aandeel 60+ in de bevolking van een staat leidt tot een verlaging van de productiviteit per inwoner-inderdaad omdat er minder mensen aan het werk zijn, maar met name omdat de beroepsbevolking als geheel minder productief wordt. De verhouding tussen die twee effecten is ongeveer 1/3-2/3.

De grote vraag is natuurlijk waarom een toename van het aandeel ouderen de hele economie minder productief maakt. Een mogelijke verklaring is dat de meest productieve ouderen het eerst met pensioen gaan, waardoor de minder productieven overblijven. Als werknemers complementair aan elkaar zijn (dat wil zeggen, elkaars hulp nodig hebben) dan is dat voor iedereen nadelig. De schattingen van het effect zijn fors. Als gevolg van de vergrijzende beroepsbevolking groeit de Amerikaanse economie dit decennium niet met 1,9% per jaar, maar met 0,7% per jaar. Twee derde van dat verschil is het gevolg van lagere productiviteit. Dat spoort in ieder geval met de waarneming dat de economische groei wereldwijd al een flink aantal jaren tegenvalt.

Omdat er aan de vergrijzing niet veel te doen is, is dit slecht nieuws voor iedereen. Kan een beetje beleid nog helpen? Een lagere productiviteit vraagt in principe om demotie voor ouderen. Maar ik twijfel of dat de productieve ouderen niet nog sneller uit hun baan drijft. Jong van geest blijven, en vooral doorwerken, lijkt voorlopig de beste remedie.

Piek arbeidsmarkt (update 2)

De groep mensen  die in dit jaar 65 werd is ongeveer 10,000 personen groter dan de groep die dit jaar 15 werd (CBS). Omdat de groep 15-64 de potentiële beroepsbevolking omvat, kunnen we daarom stellen dat de Nederlandse arbeidsmarkt dit jaar in potentie gekrompen is. Dat proces is al aan de gang sinds maart 2011, toen we (opnieuw volgens het CBS) een maximum in het aantal 15-64 jarigen bereikten van 11.156.280 personen.

bevolking2013

Voor de komende jaren blijft de groep 15-64 krimpen, totdat we over een jaar of 25 iets meer dan 7% verloren zijn. Dat is de vergrijzing van de Nederlandse economie en er was een tijd dat onze premier dit een fundamentele omslag noemde. Want als de potentiële beroepsbevolking krimpt, kun je wachten op krapte op de arbeidsmarkt, stijgende lonen, en een verslechterde concurrentiepositie.

Het is maar een paar jaar geleden, maar hoe anders was het beeld in 2013. Van krapte geen sprake, de werkloosheid liep op, is inmiddels meer dan twee keer zo hoog als in 2008. En het arbeidsaanbod, zagen we vorig jaar, nam gewoon toe omdat (door de crisis?) een groter gedeelte van die groep 15-64 zich aan ging bieden op de arbeidsmarkt.

De demografische verschuivingen zijn ook maar klein, vergeleken met de stromen op de arbeidsmarkt. Maar ze zijn er wel ieder jaar, en uiteindelijk moeten ze effect hebben. Ergens in deze jaren gaan we de maximale omvang van de Nederlandse arbeidsmarkt meemaken.

Daarvoor moeten we kijken naar wat er precies gebeurt binnen de groep 15-64. Van de potentiële werkenden biedt zich maar een gedeelte aan, en daarvan heeft ook maar weer een gedeelte echt werk. In 2013 zagen we dat het aanbod een maximum bereikte in juli, en daarna licht terugliep (sommige analisten weten waarom). Qua banen ging het harder: in november waren er 70.000 minder werkenden dan in januari (CBS).

bevolking2013_2

Daardoor blijft de piek in het aantal werkenden liggen waar hij vorig jaar ook al lag: in het derde kwartaal (om precies te zijn: juli) 2008. Voor wat betreft het arbeidsaanbod noteren we een nieuw maximum in juli 2013. Voor beiden geldt dat er een kans is dat we hier de komende decennia niet meer overheen komen, maar gegeven is dat niet. Vooral het aantal werkenden kan nog wel eens over dit maximum, door het hogere aanbod en het langzame tempo van de demografische afkalving. Maar dan moeten we wel eerst de crisis uit.

Rijke ouderen

De rapen zijn gaar nu Diederik Samsom heeft gewaagd te constateren dat de meeste ouderen in Nederland echt niet arm zijn. Daarin heeft hij wel gelijk, en de observatie dat 78% van ‘s lands vermogen in handen van 50-plussers is zal ook best wel kloppen. Maar is dit nu een teken dat het in Nederland oneerlijk verdeeld is? Ik denk het niet, en de huidige verdeling over generaties is grofweg zoals je die zou verwachten.

Want. Een jongere die net begint te werken heeft meestal een bescheiden financieel vermogen, maar een grote hoeveelheid menselijk kapitaal. Dat wil zeggen, de contante waarde van de resterende tijd op de arbeidsmarkt is groot, maar het banksaldo is laag. Voor een pensionerende oudere is het omgekeerd: menselijk kapitaal bijna op, financieel kapitaal omvangrijk. In de tussenliggende tijd wordt menselijk kapitaal, door te werken, omgezet in financieel kapitaal.

Wie vervolgens gaat kijken waar op enig moment het meeste financiële vermogen zit, komt vanzelf uit bij de ouderen. Dat is niet schokkend en ook niet oneerlijk. Feit is wel dat menselijk kapitaal wendbaarder is dan financieel kapitaal. Het is moeilijk direct te belasten en als de regels weer eens veranderen, kan de eigenaar zich nog aanpassen door bijvoorbeeld meer, minder, langer of korter te werken.

Pensioenen

Het is een week geleden dat het nieuwe pensioenakkoord bekend werd gemaakt. De reacties van de meeste economen zijn niet heel positief. Dat hangt vooral op de rekenrente die pensioenfondsen mogen hanteren. Na de financiele crisis leek iedereen het er over eens dat pensioenfondsen minder risico’s moeten nemen, in het nieuwe plan krijgen ze juist een prikkel om dat veel meer te doen. Actuaris Euverman vat het in het FD samen:

In het huidige pensioencontract wordt gerekend met de risicovrije rente. In het nieuwe reken-je-rijk-voorstel van de Stichting van de Arbeid mag alvast worden gerekend op een mooi rendement in de toekomst.  Daarmee staan de pensioenfondsen er ineens een stuk beter voor. Wellicht nog erger is dat een risicovol beleggingsbeleid wordt beloond. Hoe risicovoller het beleggingsbeleid, hoe hoger het verwacht rendement, hoe beter het fonds ervoor staat. Enkel op papier natuurlijk want het vermogen van het pensioenfonds is na deze tovenarij nog steeds exact hetzelfde als daarvoor. Maar toch kan het geld alvast worden uitgekeerd, aldus de Star.

En dat betekent kort samengevat natuurlijk dat de huidige pensionados gewoon hun geld krijgen, het systeem vroeg of laat geheid gaat instorten, en de jonge generatie naar zijn centen kan fluiten.

Mathijs Bouman heeft het over een verliesverdubbelaar, hoogleraar Risk Management Theo Kocken  geeft het plan een 1, Henriette Prast heeft het over een Ponzi-game, maar dan eentje waar je verplicht aan mee moet doen, Bas Jacobs over een ongedekte rekening, Paul Tang vindt zelfs pokeren eerlijker, en de huiseconoom van de Jonge Democraten heeft het over politiek verraad.

Toch nog iets waar alle economen het over eens zijn.

Oma werkt nog even door

Goed, dus in het nieuwe pensioencontract houdt u er bij 66 jaar mee op. Eerder kan ook, voor elk jaar wordt de AOW dan 6,5% lager. Voor wie langer doorwerkt wordt de uitkering verhoogd met 6,5% van het standaardbedrag voor elk extra jaar. Afgezien van het al dan niet werken is de keuze over wanneer AOW te ontvangen dus een soort spaarbeslissing. Wie langer wacht met ontvangen krijgt meer euro’s per maand.

Maar wie langer wacht ontvangt ook over een kortere periode een AOW uitkering. Ieder jaar uitstel kost een jaar uitkering. Levert die 6.5% dan wel voldoende rendement? Dat hangt af van de verwachte lengte van het pensioen. Wie de uitkering een jaar uitstelt en een maand na pensionering overlijdt, draait een slecht rendement. De verwachte lengte van het pensioen is op dit moment 19,1 jaar voor mannen en 22,0 jaar voor vrouwen.

Dat is voldoende informatie om het volgende tabelletje uit te rekenen. Wat is het rendement van een extra jaar doorwerken (uitsluitend in termen van de AOW) als functie van de leeftijd?

Leeftijd Man Vrouw
64 3,8% 4,8%
65 2,6% 3,7%
66 1,2% 2,6%
67 -0,2% 1,5%

Dit zijn reële rendementen, te vergelijken met een spaarrente die (in reële termen) nu ongeveer nul is. De methodiek om per jaar met een vast bedrag op te hogen of te verlagen leidt ertoe dat heel vroeg stoppen weinig aantrekkelijk is voor de gemiddelde burger. En, niet verrassend, dat vrouwen onder dit systeem langer door zullen werken (of in ieder geval later AOW aan zullen vragen) dan mannen.

De pensioenen gekort

Voor het eerst in de geschiedenis zullen enkele Nederlandse pensioenfondsen gaan korten op hun uitkeringen. Anderhalf jaar geleden riep Roel Beetsma nog op om hier zo lang mogelijk mee te wachten, ondermeer vanwege de

grote kans dat afstempelen niet nodig is omdat de buffers zich vanzelf herstellen als de aandelenmarkten weer omhooggaan.

Sinsdien zijn de beursen inderdaad weer flink gestegen maar tegelijkertijd is de rente verder weggezakt en nam de levensverwachting toe. Per saldo staan veel pensioenfondsen er nog steeds slecht voor: hun vermogen is te klein als het wordt afgezet tegen de verwachte kosten van de toegezegde pensioenen (waarin de rente en de levensverwachting een rol spelen). Wachten of het vermogen alsnog gaat stijgen mag nu niet meer, de uitkeringen moeten omlaag.

Veel mensen hebben het idee dat pensioenfondsen bestaan om gepensioneerden een vaste uitkering te garanderen. Dat is dus niet waar. Wat doen ze dan wel? “De pensioenen gekort” verder lezen

AOW

Vergrijzing betekent dat er (relatief) steeds meer oude mensen in ons land wonen. Oude mensen met stemrecht. Wie iets aan de hoogte van pensioenen wil doen moet er dus snel bij zijn. Hans-Werner Sinn heeft voor Duitsland berekend dat een hervorming op zijn laatst in 2016 mogelijk is. Daarna hebben gepensioneerden de meerderheid en komen lagere pensioenen er niet meer door.

Onlangs heeft een student bij ons iets dergelijks berekend wat betreft de verhoging van de AOW-leeftijd in Nederland. De verrassende uitkomst was dat die maatregel met de tijd steeds makkelijker door te voeren is. Dat zit ‘m erin dat, wie eenmaal met de AOW is, er geen last meer van heeft dat latere generaties langer door moeten werken. En dat terwijl het bespaarde geld ook voor gepensioneerden voordelig is.

Maar zijn de gepensioneerden dan niet solidair met de generaties na hen? Nou, in ieder geval niet allemaal. Kijk naar de uitkomst van deze peiling in het propagandablad van het ABP. De uitkomsten van pensioenopbouwers en gepensioneerden zijn gesplitst. Verhogen van de AOW-leeftijd (al dan niet met uitzonderingen): 14% van de werkenden, 30% van de gepensioneerden. Leeftijd niet veranderen: 42% werkenden, 34% gepensioneerden.

P1030202.JPG

De AOW-leeftijd

Vandaag stond ik even te kijken naar Agnes Jongerius en Sweder van Wijnbergen die in discussie waren op de UvA. Het ging over de AOW-leeftijd en beiden waren het erover eens dat die eigenlijk variabel moet zijn. Voor zware beroepen, vond met name de vakbondsbestuurder, moet de pensioenleeftijd dan lager uitvallen.

De discussie ging er vervolgens over of er een systeem bestaat dat bijhoudt wie er lang genoeg in een zwaar beroep heeft gediend om voor de vroege pensionering in aanmerking te komen. En hoe lastig dat juridisch was. En de eindeloze discussies die er gevoerd moesten worden met mensen wiens beroep net niet zwaar genoeg was.

Twee opmerkingen (die ik natuurlijk ter plekke had moeten maken maar die altijd te laat komen). Wie zo’n systeem invoert maakt zware beroepen aantrekkelijker. Dat leidt er onmiddelijk toe dat de (relatieve) beloning voor zware beroepen afneemt. Het is de vraag of stratenmakers wel beter af zijn met een lager loon in ruil voor een eerder pensioen.

Verder valt het op hoe ingewikkeld de wereld wordt als je geen vertrouwen hebt in het vermogen van mensen om dit soort afwegingen zelf te maken. De compensatie voor een zwaar beroep is het loon dat je ervoor krijgt. Als je voorziet dat je in zo’n beroep de 65 (of de 67) niet haalt, dan moet je het niet doen tenzij je er extra voor betaald krijgt. Met dat extra geld overbrug je de jaren voor de AOW. Het financiële vermogen van iemand is het systeem dat bijhoudt hoe hard er in het verleden gewerkt is.

Overigens steunde precies één iemand in het jonge en hoog opgeleide publiek Jongerius’ strijd om de AOW-leeftijd toch op 65 te houden.

De pensioenen

Het kon natuurlijk niet uitblijven: door de alsmaar dalende beurzen zijn nu ook de pensioenfondsen, eigenaars van een groot gedeelte van het aandelenvermogen, in moeilijkheden gekomen. Doordat hun financiële vermogen daalt en de rente laag is loopt de dekkingsgraad omlaag (dat is de verhouding tussen vermogen en pensioentoezeggingen). Dit had kunnen leiden tot een verdere verslechtering van de crisis, want een lage dekkingsgraad betekent doorgaans hogere premies en lagere uitkeringen. De lagere inkomens en het lagere nettoloon die daaruit volgen, dragen nog eens extra bij aan een conjuncturele neergang die toch al hevig is.

Had kunnen leiden, want een wijziging die een paar jaar geleden in de meeste pensioenen is doorgevoerd komt nu goed van pas. De NRC merkt het nogal achteloos op.

Ook werknemers worden getroffen door het niet verhogen van de pensioenen: hun opgebouwde pensioen groeit niet mee met de loonontwikkeling.

Dit komt omdat de meeste werknemers tegenwoordig een middelloonpensioen hebben en geen pensioen gekoppeld aan hun eindloon. Praktisch gezien betekent dit dat een gedeelte van de huidige tekorten wordt weggeboekt door de pensioenaanspraken van werknemers die nog lang niet met pensioen gaan, lager vast te stellen. Daar hebben die werknemers op dit moment veel minder last van dan bijvoorbeeld een premieverhoging. Een verdere stagnatie van de economie wordt daarmee voorkomen. Bovendien is de kans groot dat in de komende jaren het verlies weer wordt goedgemaakt als het op de beurs weer eens meezit.