Onverkwikkelijke kwestie hier aan de RuG: twee taalwetenschappers claimden in een proefschrift dat eerstejaarsstudenten aan universiteit en hogeschool respectievelijk 40 en 80 taalfouten per A4’tje zouden maken. Geinteresseerde vakgenoten wilden dat graag inzien, maar helaas, de onderzoekers weigerden het gewraakte materiaal te tonen, universiteit boos, afijn, zie hier.

Wat echter nog het meeste verbijstering wekt is dat de onderzoekers zich verdedigen met het volgende staaltje onnavolgbare statistiek:

De kans dat de universiteit na een promotie reageert met een veroordeling (van het gedrag van de gepromoveerde na de promotie) als ‘wetenschappelijk niet integer’ is vrijwel zeker kleiner dan een op duizend. De kans dat de promovendus openlijk travestiet is, is vrijwel zeker ook kleiner dan een op duizend. De kans dat beide zaken tegelijkertijd optreden is dan een op het miljoen. Die kans is te klein om nog geloofwaardig te zijn. Het lijkt dus wetenschappelijk gezien, volstrekt zeker dat mijn openlijke travestie een rol moet hebben gespeeld bij de reactie van de RUG.

Lijkt me op zich al genoeg reden die bul weer in te moeten leveren. (via)

Prachtig voorbeeld van speltheorie in de praktijk: de middelbare-schoolkeuze in Amsterdam. Tot voor kort werd er domweg geloot, maar de Nobelprijs van Roth en Shapley een paar jaar geleden had uiteindelijk tot gevolg dat een aantal Amsterdamse economen mochten nadenken over een beter systeem (zie de eerste melding hier). In een rapport (wetenschappelijke versie hier) stelden zij dat er twee alternatieven voor het oude. Het ene systeem is een stuk beter (in de zin dat meer leerlingen een school krijgen toegewezen die hoog op hun voorkeurslijstje staat) en leidt tot stabiele matching (in de zin dat het niet mogelijk is twee leerlingen te vinden die met elkaar willen ruilen), het andere systeem is zelfs nog beter maar leidt niet tot zo’n stabiele matching.

Uiteindelijk kozen de Amsterdamse scholen voor het laatste systeem. De vraag is of dat politiek verstandig was. Er zijn nu inderdaad leerlingen die zouden willen maar niet mogen ruilen, en dus stapt mams naar de rechter. Een beetje vreemd is dat natuurlijk wel: als ze tegen het systeem zijn hadden ze daar al vantevoren tegen kunnen procederen. Een prachtig overzicht van de issues staat hier.

Lex Borghans geeft bij economie.nl ook uitleg (let vooral ook op de discussie onder aan de pagina). Hij betoogt dat er volgend jaar moet worden overgestapt naar dat andere systeem, en dat leerlingen dit jaar voor deze ene keer dan maar wel moeten mogen ruilen. Dat is een nogal vreemd argument. Het mooie van beide systemen is dat het een optimale strategie is om je echte voorkeuren op te geven en strategisch gedrag dus wordt voorkomen. Dat is niet het geval als er wel geruild mag worden. Dan had iedereen bijvoorbeeld populaire scholen als tweede en derde voorkeur kunnen geven om zo het perfecte ruilmateriaal te hebben als de eerste voorkeur niet beschikbaar is.

Als de rechter nu de ruilers gelijk geeft, geeft dat andere ouders weer een reden om ook een rechtzaak aan te spannen met het argument dat, als ze vantevoren geweten hadden dat er geruild had mogen worden, ze wel een andere voorkeur hadden opgegeven.

Update: Lex Borghans komt met een mooie aanvullende analyse die suggereert dat de niet-stabiele methode gunstiger is voor kieskeurige ouders, maar dat achteraf mogen ruilen strategisch gedrag in de hand werkt waardoor de uitkomst toch weer die van de stabiele methode is.

Update 2: Nu goed gelinkt naar het stuk op NPOWetenschap.

Het is haast niet te bevatten. Vandaag is het precies 10 jaar geleden dat het allereerste bericht op dit weblog verscheen. Hier staat ie nog, in volle glorie.

Het waren barre tijden op het internet. Twitter en Facebook moesten nog uitgevonden worden. De iPad kwam pas vijf jaar later. In de VS was George Bush net aan zijn tweede termijn begonnen, in Nederland gold hetzelfde voor Jan Peter Balkenende. De crisis zag niemand nog aankomen. Op het gebied van economie was er op het Nederlandstalige internet nauwelijks iets te vinden. Geen MeJudice. Geen economie.nl. Geen fikse lijst twitterende economen. Zelfs geen Eijffinger. Toegegeven, Peter van Bergeijk was al net iets langer bezig. Maar toch. Het was een gat in de markt.

Hoe het allemaal begon? Alle eer voor Thijs, die het initatief nam en de eerste twee maanden alleen volschreef. Op 5 augustus 2005 mailde hij mij de legendarische woorden

Een tijdje geleden, lezend in de ‘economie’ sectie van nu.nl, bekroop mij het gevoel dat veel dagelijkse zaken niet genoeg worden bekeken vanuit economisch oogpunt. In een gekke bui besloot ik hier iets aan te doen en registreerde daarvoor het domein nomie.nl […]

Je begrijpt het, ik zou het leuk vinden als je mee zou doen. […] Het doel is onduidelijk, we doen het voor de lol maar wie weet worden we beroemd.

En de rest is geschiedenis. Inmiddels zijn we 1260 berichten verder en valt er op het net aanzienlijk meer over economie te vinden. In die mate dat onze relevantie beduidend minder is geworden. Daar hebben we in onze jaaroverzichten al eens over gefilosofeerd.

Uiteraard gaan we door. Al was het alleen al om af en toe nostalgisch terug te kunnen kijken. Ik kan het aanraden, eens rondstruinen in de archieven.

Dit was Andere Tijden. Terug naar de onze.

Voor wie, zoals ik, een eerstejaarsvak microeconomie geeft, is het volgende citaat van George Orwell om te smullen [noodzakelijke omrekeningen tussen rechte haken toegevoegd]:

If you have, for instance, five shillings [one crown] to spend and the normal price of a book is half-a-crown, you are quite likely to spend your whole five shillings on two books. But if books are sixpence [0.1 crown] each you are not going to buy ten of them. because you don’t want as many as ten: your saturation point will have been reached long before that.

Probably you will buy three sixpenny books and spend the rest of your five shillings on seats at the “movies.” Hence the cheaper books become, the less money is spent on books.

Het aantal tentamenvragen dat hier uit valt te peuren is legio. Wat kunnen we hieruit concluderen over elasticiteiten? Aan welke aanname omtrent consumentengedrag wordt volgens Orwell in het geval van boeken niet voldaan? En ga zo maar door.

Een uitgebreide beschrijving van de achtergrond van de quote staat hier (en ook hoe het vorig jaar door Amazon werd misbruikt). Het schijnt dat Friedman het ook heeft gebruikt in zijn prijstheorieboek (hier).

John Nash (86) kwam gisteravond met zijn vrouw om het leven toen hun taxi verongelukte. Ze kwamen net terug uit Noorwegen, waar Nash de prestigieuze Abel-prijs had gekregen. Hier is het oorspronkelijke bericht. Uitgebreide biografie in de New York Times.

Nash was niet de meest vooraanstaande econoom, eigenlijk vooral wiskundige, maar wel degene met het meest invloedrijke idee in de hedendaagse economie-beoefening (zie hier); dat van het Nash-evenwicht. En bij het grote publiek vooral bekend als hoofdpersoon in de film A Beautiful Mind, gebaseerd op dit boek, dat weer geinspireerd was op dit artikel in de New York Times.

Overigens besloeg het proefschrift van Nash maar 27 pagina’s, zie hier. En het klassieke artikel over het Nash evenwicht beslaat verbijsterend genoeg niet meer dan 13 regels op iets minder dan 1 pagina, zie hier.

Een beetje frustrerend is het wel. Jarenlang zit je te ploeteren op belangwekkend en maatschappelijk relevant onderzoek, krijg je vervolgens vooral citaties en aandacht voor een geinige regressie die je ooit deed voor het Eurovisie Songfestival. (Eerder hier en hier).

Vanochtend, 10 jaar na dato, haalt dat onderzoek dus zelfs de Telegraaf. De journalist van dienst (die in eerste instantie langs kwam voor dit boek) was wat verbaasd dat economen zich met zo’n futiel onderwerp bezig houden (zie het eind van het bericht). En wij maar betogen dat we ook uiterst belangwekkend en maatschappelijk relevant onderzoek doen naar bijvoorbeeld kartels. Maar ja, liet ik mij nog ontvallen, “als we daar over schrijven, dan zien we de Telegraaf hier niet”. Die quote heeft de krant niet gehaald.

Maar goed. Verder is het best een heel aardig artikel. En het gebeurt niet elke dag dat een verwijzing naar een “econometrisch model” de krant van wakker Nederland haalt.

Gisteren stond ik stil bij een aantal beweringen over economen uit dit artikel van Rutger Bregman in de Correspondent. Daarin draait het om de vraag of economen andere wetenschappers verdringen uit het publieke debat. Het bewijs daarvoor is niet erg sterk. Op de achtergrond speelt de kwestie waar de inzichten van (bekende) economen eigenlijk op gebaseerd zijn. Daarover vandaag iets meer.

Er zit nogal een verschil tussen de econoom die zijn of haar onderzoek toelicht, in de krant of in de Tweede Kamer, en een professor die een quote voor het nieuws afgeeft. Die twee soorten invloed worden in het artikel min of meer gelijk gesteld, wat volgens mij de zaken wat verwart. Ik ga ervan uit dat de econoom die uit gedegen onderzoek citeert op eigen benen kan staan en wil het hier hebben over tweede variant. Er is tegenwoordig sprake van een select gezelschap media-economen, zo blijkt uit een leuk scriptie-onderzoek waaruit het artikel in de Correspondent citeert. De meerderheid van de vermeldingen in de Nederlandse kranten komt voor rekening van niet meer dan 12 economen. Volgens mij is dit fenomeen betrekkelijk nieuw; als vroege voorloper van de huidige media-econoom kan ik hoogstens Jan Pen bedenken.

Hoe kan het dat zo’n beperkt aantal economen de kranten (en andere media) domineert? Het is verleidelijk om hier naar de superstar theorie te grijpen. Die zegt dat bij lage marginale kosten, kleine kwaliteitsverschillen grote gevolgen kunnen hebben. Maar dat zou betekenen dat de meest bekende economen ook de beste economen zijn. Daarover zijn de meningen verdeeld.

Het is waarschijnlijk beter om eens goed naar de transactie van een interview te kijken. Aan de vragende kant staat de redacteur. Die heeft een vaag idee voor een verhaal en wil een hapklare, begrijpelijke brok informatie. Liefst informatie die goed in het grotere verhaal past, en in het geval van radio en tv graag ook goed onder woorden gebracht door iemand die niet al te vaak uh en ah zegt. Maar de redacteur kan de kwaliteit van de analyse niet goed inschatten.

De geinterviewde wordt zelden betaald voor zijn inspanning; de tegenprestatie is beroemdheid, en het idee iets bijgedragen te hebben aan het publieke discours. Tussen verschillende personen zal zowel de moeite die een interview geven kost, als de (subjectieve) opbrengst, verschillen.

Opsommend: een succesvolle transactie is waarschijnlijker als de econoom zegt wat de redacteur al dacht, en de econoom dat met plezier en zonder gestotter kan doen. Merk op dat de kwaliteit van de economische analyse op het eerste oog geen enkele rol speelt bij het tot stand komen van de transactie.

Natuurlijk zijn er grenzen. Als de econoom bij herhaling lariekoek verkoopt zal er uiteindelijk wel een ingezonden brief komen, of een boze beller. Economen onderling willen nog wel eens reageren op geschreven stukken. Maar tégen dit natuurlijke evenwicht werkt het feit dat wie eenmaal in de kaartenbak van de redacteur zit, regelmatig om zijn of haar visie gevraagd wordt.

Dat laatste is ook wel te begrijpen. Voor zijn interview kan de redacteur op zoek naar een willekeurige deskundige, bijvoorbeeld door de universiteit te bellen (terzijde: ik haalde ooit het RTL nieuws omdat ik de enige was die bij de vakgroep op vrijdagmiddag de telefoon opnam). Maar door meteen een bekende te bellen, kan de redacteur een hoop onzekerheid uitschakelen, en sneller tot een transactie komen.

Dat verklaart waarom we zoveel dezelfde mensen in de krant en op tv zien. Maar voegen ze iets toe? Het verhaal van de transactie laat zien dat niet is uit te sluiten, dat continu de verkeerde man of vrouw in de krant verschijnt. Maar dat lijkt me dan niet de schuld van de economen als groep, zoals in het artikel gesuggereerd wordt – voor andere disciplines zou dezelfde logica moeten gelden. Wie weet welke getalenteerde econoom wordt overgeslagen als Maarten van Rossem weer eens gebeld wordt?

Wie betere kwaliteit van analyse wil, zou er dus voor moeten zorgen dat de kwaliteit daarvan een grotere rol gaat spelen bij het uitnodigen van experts. Onder meer Philip Tetlock maakt zich hier in de VS sterk voor, door middel van het systematisch scoren van voorspellingen. Daar ligt nog een mooi terrein braak in Nederland.

Dit artikel, dat een paar dagen geleden op de Correspondent verscheen, vraagt om een reactie. Het beschrijft de invloed van economen op beleid en hun rol in de media, vergeleken met andere wetenschappers zoals filosofen en historici. Volgens Rutger Bregman (zelf historicus) is de econoom de machtigste wetenschapper, en zijn cijfers over mediaoptredens “verbijsterend”.

Ik haal de twee zaken (macht en media) even uit elkaar. Over economen in de media zal ik morgen wat zeggen. Wat betreft de macht komt het artikel met harde cijfers:  het aantal vermeldingen van economen (en economie) in Kamerstukken en in de krant. Daar zien we dat economen vaker worden genoemd dan collega-wetenschappers, en het gat wordt na 2008 groter.

corres_econ

De suggestie is dat economen onevenredig vaak worden aangehaald. Volgens Bregman is het zo dat economen “historici, filosofen, sociologen en antropologen wegdrukken in de besluitvorming”. Vermoedelijk zou een uitkomst waarbij alle disciplines ongeveer even vaak worden geraadpleegd, als eerlijker gezien worden. Dringt de econoom zijn of haar mening op, ten koste van de rest?

Als econoom zeg ik daarover: het is een kwestie van vraag en aanbod. Als we uitgaan van vermeldingen in de Kamer, zoals in de grafiek hierboven, lijkt het me dat de Kamerleden expertise zoeken op het gebied van zaken waar de Kamer over moet beslissen. Dat kan natuurlijk van alles zijn. Als gaat het over het deelnemen aan een vredesmissie, of de vraag of je koning mag beledigen, lijkt het me heel goed om historici of filosofen om raad te vragen. Bij kwesties zoals het hervormen van het belastingstelsel of maatregelen tegen excessieve beloning zou je misschien beter een econoom kunnen polsen. De verhouding geraadpleegde wetenschappers zou dus bepaald moeten worden door de vraag: waar houdt de Kamer zich zoal mee bezig? Betreft dat hoofdzakelijk gebieden waar economie een belangrijke rol speelt?

Nou gaat economie zo’n beetje over alles, maar dat kun je ook over geschiedenis of filosofie zeggen. Wel zijn er een hoop economische inzichten die specifiek voor politici goed van pas kunnen komen, omdat ze helpen om de gevolgen van beleid in beeld te brengen. Ik denk bijvoorbeeld aan (maatschappelijke) kosten-baten-analyses of een analyse van marginale belastingdruk voor en na beleid. Hier komt het ideaal van Keynes, economen als een soort van tandartsen, dichtbij. Economen dragen informatie aan, de politicus beslist. Als er vanuit de Kamer (of de krant) veel vraag naar economische informatie is, zullen er veel economen geraadpleegd worden.

Dan het aanbod. Economen worden niet geboren, net zomin als historici. Een mens wordt econoom door economie te studeren. Een reden dat er meer economen dan filosofen optreden in de Kamer, is wellicht dat er veel meer economen dan filosofen zijn. Maar belangrijker is misschien nog wel: wie kiest ervoor om economie te gaan studeren? Dat kan zomaar eens het type mens zijn, dat zich graag bezighoudt met  het soort vraagstukken waar de Kamer over gaat. Dat die daar uiteindelijk terecht komt om zich met Kamerzaken te bemoeien, komt wellicht niet alleen door de studie.

Conclusies trekken op grond van de grafiek is dus lastig. De vraag of economen dominant zijn hangt af van de toegevoegde waarde van het advies, en de vraag of economen andere nuttige inzichten verdringen. Dat valt niet af te lezen uit deze lijntjes. Maar de vraag wat de econoom eigenlijk kan, is natuurlijk wel belangrijk. In het artikel wordt stilgestaan bij het feit dat economen niet kunnen voorspellen, iets wat ik graag beaam. Maar kunnen ze daarmee helemaal niks? Of kunnen ze minder dan ze beweren? Het stuk over media-economen biedt houvast om daar verder over te denken. Morgen meer.

(Eerder over economen en wat ze wel en niet kunnen.)

De John Bates Clark Medal, prijs voor de beste econoom in de VS onder de 40 (zie eerdere berichtgeving) is dit weekend toegekend aan Roland Fryer, die dingen heeft gedaan op het gebied van arbeid, onderwijs, maar vooral raciale ongelijkheid in de VS.

Het leuke van zo’n prijs is ook dat het een aardig inkijkje geeft in wat er op dit moment echt toe doet in de economische wetenschap. Al zeker sinds 2010 (zie Wikipedia) is de prijs eigenlijk alleen nog maar gegaan naar toegepast, empirisch micro-onderzoek, vaak met veldexperimenten, over onderwerpen waar de gemiddelde Nederlandse krantenlezer bepaald niet aan zou denken als hij het economie-katern leest.

Fryer heeft een nogal opvallende achtergrond. Hij is zwart (als eerste winnaar), werd verlaten door zijn moeder, mishandeld door zijn vader, en komt uit een familie van drugsdealers. Dit artikel uit de New York Times is al uit 2005, maar nog steeds de moeite waard.

Vandaag zijn er verkiezingen. Voor wie zijn stem wil laten bepalen door Wat De Econoom Er Van Vindt (en inderdaad, wie wil dat niet) komt recent onderzoek van van Dalen, Klamer en Koedijk prima van pas. Zij vroegen Nederlandse economen (verbonden aan een universiteit, of lid van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde) naar hun politieke voorkeur. Daaruit blijkt dat een verpletterende 41% vandaag zijn stem uitbrengt op D66. Opvallend, want een slordige 30 jaar geleden hoorde je er als econoom nog niet echt bij als je geen lid was van de PvdA. Anderzijds: uiteraard betekent deze uitslag ook gewoon dat de meeste economen niet op D66 stemmen.

Andere middenpartijen (PvdA, GroenLinks, VVD, CDA) scoren dik 10%, terwijl de SP op slechts 3% mag rekenen. Geen enkele academisch econoom bleek bereid zijn stem uit te brengen op de PVV. 50Plus krijgt überhaupt geen stem, terwijl het aantal KVS-leden in de doelgroep van deze partij toch aanzienlijk is.

Helaas blijft onduidelijk waar we bij de waterschapsverkiezingen op moeten stemmen.

Oudere berichten »