Was de euro te goedkoop?

Nu de inflatie in de eurozone (December: 0.2%) zo rond nul schommelt, denk ik wel eens terug aan een stukje dat ik vlak voor de introductie van de euro in ESB las. Daarin sprak een (oud?) medewerker van DNB zich uit voor een hogere aanvangswaarde van de munt.

Ik vond dat destijds een goed idee. Jaarlijkse inflatie maakt geld steeds minder waard. Als je begint met een situatie waarin de kleinste muntjes eigenlijk al snel waardeloos zijn en afgeschaft worden, duurt het niet lang of je bent voor elke transactie aangewezen op uitsluitend bankbiljetten (of je moet een herdenominatie doen). Waarom met de euro niet beginnen op 10 gulden, in plaats van 2,20? De introductie van een nieuwe munt was een unieke kans om eens lekker hoog te beginnen.

Tenzij, tenzij – de inflatie uiteindelijk uitkomt rond nul en je niet langer op een bewegend doel schiet. Wat de vraag opwerpt: stel dat we hier blijven hangen, qua prijsniveau. Hebben we dan de juiste verdeling munten-biljetten?

Coördinatieprobleem op het strand

Afgelopen weekend maakte ik een fraaie fallacy of composition mee. Daarin geldt dat datgene wat voor een individu waar is, niet noodzakelijk klopt voor een grotere groep. De fallacy of composition ligt ten grondslag aan de macro-economie, en duidt vaak op een coördinatieprobleem. Een beroemd voorbeeld is dat van de man in het stadion die opstaat om het spel beter te kunnen zien. Voor hem een logische actie, maar als de hele menigte opstaat dan is er niemand die erop vooruit gaat.

Als u genoeg heeft van dat oude voorbeeld, of graag over dit soort fenomenen hoort, luister dan naar mijn ervaring. Ik liep mee in de halve marathon van Egmond, met meteen in het begin zes en een halve kilometer over het strand, recht tegen de wind in.

Het was nogal een stevige wind (illustratieve foto), van ongeveer rechts-voor. Voor wie in een groepje liep, was het zaak aan de linkerkant te lopen om zoveel mogelijk wind te vermijden. Maar het feit dat steeds enkele lopers naar links liepen, leidde ertoe dat de meeste groepjes als geheel ook steeds verder naar links uitweken, weg van de zee. Dat betekende ook dat het groepje in het mulle zand terechtkwam, in plaats van op het harde, en beter beloopbare, zand aan de waterlijn.

Een coördinatieprobleem. Als het groepje als geheel dichter bij het water zou lopen, was iedereen beter af. Maar geen enkele individuele loper wilde daarvoor in de wind terechtkomen, en dus liepen we inefficiënt over het mulle zand. Nog nooit had ik zo lang over Egmond gedaan.

Het meest gelezen van 2015

Gelukkig nieuwjaar! Daar is-ie weer, het traditionele lijstje van meest gelezen berichten van het voorbije jaar. Wegens de reeds gememoreerde lage produktie in 2015 haalden veel oudere berichten de eindlijst. Meest gelezen was merkwaardig genoeg onze Nobelprognose. Van vorig jaar. Hier de volledige lijst, eventuele positie vorig jaar tussen haakjes:

1. (10) Nobelprognose 2014 okt 2014
2.   Schoolstrijd jun 2015
3.   De econoom in de kaartenbak mei 2015
4.   Best lastig, kansrekening jul 2015
5.   (2) Slepen met goud nov 2014
6.   Stemadvies mrt 2015
7.   (4) Vragen voor Larry Summers okt 2014
8.   (8) Fed-beleid en het buitenland okt 2014
9.   Een waterdicht BTW-systeem aug 2015
10.   De machtigste wetenschapper mei 2015

2015

Een jaar met 23 berichten, het kon dus ook nog minder dan vorig jaar (31). Maar ook: een jaar met een jubileum, gequoot worden door de Telegraaf en een nieuw uiterlijk. Dat laatste was bittere noodzaak, omdat onze antieke 2005-pagina steeds slechter doorkwam op de kleine schermpjes van tegenwoordig. En tenslotte, opmerkelijk, kunnen we een kleine groei in het aantal bezoekers melden:

2015

Het zal het grote archief wel zijn, dat iedereen die googlet op een economische term subiet naar deze site verwijst.Nog even en we zijn weer terug op het niveau van 2013.

We zullen wel weer het een en ander schrijven, het komende jaar, en hopen opnieuw op uw onregelmatige bezoek in 2016. Alvast het beste!

Gratis boeken

Binnen de nieuwe groeitheorie (nou ja, nieuw in de jaren ’90 van de vorige eeuw) wordt veel nadruk gelegd op het feit dat sommige geproduceerde diensten nonrival zijn: als ik de dienst gebruik, kan iemand anders hem tegelijkertijd gebruiken. De dienst die de Nederlandse dijken ons leveren is bijvoorbeeld nonrival, maar vrijwel altijd gaat het in de groeitheorie over kennis. Want als ik een idee gebruik, is het niet verdwenen voor de andere geïnteresseerden.

Het zusterbegrip dat snel opduikt als het over rivaliteit gaat, is excludability. Netflix is een voorbeeld van een nonrival dienst waar de eigenaar wel degelijk geld voor kan vragen aan iedere gebruiker. Sommige nonrival diensten zijn niet op die manier te beheersen: de goede mop die ik heb bedacht is niet geheim te houden, nadat ik hem in het café verteld heb. De mop is non-excludable.

Opnieuw gaat het al snel over kennis. Patenten en copyrights maken nieuwe kennis enigszins excludable, maar de kopieermachine, en later het internet, ondergraven de praktische uitvoerbaarheid van die juridische middelen. Bovendien is de vraag of het wenselijk is om diensten, die in principe gratis geleverd kunnen worden, aan het publiek te onthouden. Ja, gaat dan het argument, want als degene die de kennis creëert er niets aan kan verdienen, dan komt er ook geen nieuwe kennis bij.

Midden in deze discussie staan de uitgevers van wetenschappelijke literatuur. Hun bedrijfsmodel stamt uit het excludable houden van kennis, maar dat is bijna niet vol te houden als die kennis met publieke middelen wordt opgebouwd. Het nieuwe model lijkt te worden dat de onderzoeker vooraf betaalt voor publicatie, waarna de kennis vrij beschikbaar wordt. Het is nog onduidelijk of er in dit systeem een werkelijke taak voor de uitgevers overblijft.

Maar wat doen we dan met de grote berg kennis die nog onder het oude systeem is gepubliceerd? Dat verschilt vooralsnog per uitgever. De meesten lijken tot in lengte van dagen voor de kennis betaald te willen worden, maar er is hoop: uitgeverij Springer heeft onlangs haar collectie van boeken ouder dan 10 jaar open op de website gezet. Hier staat de lijst met 3,539 economieboeken van voor 2006, met onder meer een Engels-Frans-Duits-Nederlands economiewoordenboek.

Een fijn kerstcadeau. Hoewel. Nu kennis weer wat minder schaars geworden is, neemt jammer genoeg de schaarse factor tijd weer in belang toe. 3,539 boeken! [Gevonden via Hacker news]

Dani Rodrik: Economics Rules

Het lijkt tegenwoordig in de mode om af te geven op economen. Economie is veel te wiskundig, claimen critici. Het is losgezongen van de echte wereld, en moet veel pluralistischer. Economen denken dat de markt alles oplost, en hebben te weinig oog voor bijvoorbeeld sociologische factoren.

Die kritieken snijden niet altijd evenveel hout. Dani Rodrik komt met een boek waarin hij aangeeft waarom de critici vaak ongelijk hebben, maar ook laat zien wat er dan wel mis is met economen. Onderweg geeft hij een mooie inkijk in hoe economen en hun modellen functioneren. (Bespreking na de knip!)

“Dani Rodrik: Economics Rules” verder lezen

Lucratief

Een van de meest lucratieve beleggingen van de laatste jaren? Wie op 1 juli 2010 bij de invoering van de cijferpostzegel al zijn spaarcentjes had omgezet in zegels met het cijfer 1 betaalde destijds 44 cent per stuk, terwijl diezelfde zegels per 1 januari 2016 al voor 73 cent van de hand gaan. Een rendement van 66%, ofwel 9.6% op jaarbasis.

En nu niet aankomen met dat het achteraf makkelijk praten is. Thijs waarschuwde u destijds al.

Nog een rondje Deaton

In het Nederlands:

Robert Inklaar bij MeJudice

Arthur van Soest bij economie.nl

Jesse Frederik bij de Correspondent

Mathijs Bouman bij RTL-Z (met bewegend beeld!)

 

In het Engels:

Justin Wolfers in de New York Times

Cass Sunstein bij Bloomberg

Angus Deaton over zichzelf, een biografisch essay

En, oh ja, lees vooral niet Peter de Waard in de Volkskrant vanochtend. Zelden zo’n zuur en slecht geinformeerd stuk gelezen.

Deaton over ontwikkelingshulp

Unfortunately, the world’s rich countries currently are making things worse. Foreign aid – transfers from rich countries to poor countries – has much to its credit, particularly in terms of health care, with many people alive today who would otherwise be dead. But foreign aid also undermines the development of local state capacity.

This is most obvious in countries – mostly in Africa – where the government receives aid directly and aid flows are large relative to fiscal expenditure (often more than half the total). Such governments need no contract with their citizens, no parliament, and no tax-collection system. If they are accountable to anyone, it is to the donors; but even this fails in practice, because the donors, under pressure from their own citizens (who rightly want to help the poor), need to disburse money just as much as poor-country governments need to receive it, if not more so.

What about bypassing governments and giving aid directly to the poor? Certainly, the immediate effects are likely to be better, especially in countries where little government-to-government aid actually reaches the poor. And it would take an astonishingly small sum of money – about 15 US cents a day from each adult in the rich world – to bring everyone up to at least the destitution line of a dollar a day.

Yet this is no solution. Poor people need government to lead better lives; taking government out of the loop might improve things in the short run, but it would leave unsolved the underlying problem. Poor countries cannot forever have their health services run from abroad. Aid undermines what poor people need most: an effective government that works with them for today and tomorrow.

One thing that we can do is to agitate for our own governments to stop doing those things that make it harder for poor countries to stop being poor. Reducing aid is one, but so is limiting the arms trade, improving rich-country trade and subsidy policies, providing technical advice that is not tied to aid, and developing better drugs for diseases that do not affect rich people. We cannot help the poor by making their already-weak governments even weaker.

Het hele verhaal staat hier (via).

Deaton

We zaten er niet ver naast. De Nobelprijs Economie gaat inderdaad naar micro-econometrie en –empirie. De gelukkige is echter niet Blundell, maar landgenoot Angus Deaton, voor “zijn analyse van consumptie, armoede en welvaart”. Deaton’s werk heeft altijd op een of andere manier te maken met het schatten van consumptiegedrag van individuele connsumenten, en daarmee ook met het schatten van de levensstandaard van die consumenten. De press release staat hier. Uitgebreide achtergrondinformatie hier, meer publieksvriendelijke info hier.

Het Nobelcomite framet het als iets wat micro is, maar ook belangrijk voor macro. Bovendien heeft de man een belangrijke bijdrage geleverd aan ontwikkelingseconomie.

De publieksinfo noemt expliciet de Eerste Belangrijke Bijdrage het AIDS (Almost Ideal Demand System) van Deaton en Muellbauer, een systeem waarmee structuur wordt opgelegd aan schattingen van consumptiefuncties. De inzichten die daaruit verkregen worden, zo wordt beweerd, zijn ook belangrijk zijn voor de macro; traditioneel maakt macro gebruik van een representatieve consument, door het werk van Deaton is dat niet langer noodzakelijk. Tweede bijdrage: het bestuderen van fluctuaties in consumptie over de tijd. Derde bijdrage: het revolutionaliseren van ontwikkelingseconomie, van macro- naar micro-georienteerd, door het opzetten van surveys en, opnieuw, het gebruik van micro-data.

Net als vorig jaar zijn alle vakgenoten er over eens dat de prijs meer dan verdiend is. Ook mooi dat de prijs opnieuw naar slechts 1 persoon gaat. Dat heeft wel wat.

Meer bij Marginal Revolution.