Een beetje frustrerend is het wel. Jarenlang zit je te ploeteren op belangwekkend en maatschappelijk relevant onderzoek, krijg je vervolgens vooral citaties en aandacht voor een geinige regressie die je ooit deed voor het Eurovisie Songfestival. (Eerder hier en hier).

Vanochtend, 10 jaar na dato, haalt dat onderzoek dus zelfs de Telegraaf. De journalist van dienst (die in eerste instantie langs kwam voor dit boek) was wat verbaasd dat economen zich met zo’n futiel onderwerp bezig houden (zie het eind van het bericht). En wij maar betogen dat we ook uiterst belangwekkend en maatschappelijk relevant onderzoek doen naar bijvoorbeeld kartels. Maar ja, liet ik mij nog ontvallen, “als we daar over schrijven, dan zien we de Telegraaf hier niet”. Die quote heeft de krant niet gehaald.

Maar goed. Verder is het best een heel aardig artikel. En het gebeurt niet elke dag dat een verwijzing naar een “econometrisch model” de krant van wakker Nederland haalt.

Gisteren stond ik stil bij een aantal beweringen over economen uit dit artikel van Rutger Bregman in de Correspondent. Daarin draait het om de vraag of economen andere wetenschappers verdringen uit het publieke debat. Het bewijs daarvoor is niet erg sterk. Op de achtergrond speelt de kwestie waar de inzichten van (bekende) economen eigenlijk op gebaseerd zijn. Daarover vandaag iets meer.

Er zit nogal een verschil tussen de econoom die zijn of haar onderzoek toelicht, in de krant of in de Tweede Kamer, en een professor die een quote voor het nieuws afgeeft. Die twee soorten invloed worden in het artikel min of meer gelijk gesteld, wat volgens mij de zaken wat verwart. Ik ga ervan uit dat de econoom die uit gedegen onderzoek citeert op eigen benen kan staan en wil het hier hebben over tweede variant. Er is tegenwoordig sprake van een select gezelschap media-economen, zo blijkt uit een leuk scriptie-onderzoek waaruit het artikel in de Correspondent citeert. De meerderheid van de vermeldingen in de Nederlandse kranten komt voor rekening van niet meer dan 12 economen. Volgens mij is dit fenomeen betrekkelijk nieuw; als vroege voorloper van de huidige media-econoom kan ik hoogstens Jan Pen bedenken.

Hoe kan het dat zo’n beperkt aantal economen de kranten (en andere media) domineert? Het is verleidelijk om hier naar de superstar theorie te grijpen. Die zegt dat bij lage marginale kosten, kleine kwaliteitsverschillen grote gevolgen kunnen hebben. Maar dat zou betekenen dat de meest bekende economen ook de beste economen zijn. Daarover zijn de meningen verdeeld.

Het is waarschijnlijk beter om eens goed naar de transactie van een interview te kijken. Aan de vragende kant staat de redacteur. Die heeft een vaag idee voor een verhaal en wil een hapklare, begrijpelijke brok informatie. Liefst informatie die goed in het grotere verhaal past, en in het geval van radio en tv graag ook goed onder woorden gebracht door iemand die niet al te vaak uh en ah zegt. Maar de redacteur kan de kwaliteit van de analyse niet goed inschatten.

De geinterviewde wordt zelden betaald voor zijn inspanning; de tegenprestatie is beroemdheid, en het idee iets bijgedragen te hebben aan het publieke discours. Tussen verschillende personen zal zowel de moeite die een interview geven kost, als de (subjectieve) opbrengst, verschillen.

Opsommend: een succesvolle transactie is waarschijnlijker als de econoom zegt wat de redacteur al dacht, en de econoom dat met plezier en zonder gestotter kan doen. Merk op dat de kwaliteit van de economische analyse op het eerste oog geen enkele rol speelt bij het tot stand komen van de transactie.

Natuurlijk zijn er grenzen. Als de econoom bij herhaling lariekoek verkoopt zal er uiteindelijk wel een ingezonden brief komen, of een boze beller. Economen onderling willen nog wel eens reageren op geschreven stukken. Maar tégen dit natuurlijke evenwicht werkt het feit dat wie eenmaal in de kaartenbak van de redacteur zit, regelmatig om zijn of haar visie gevraagd wordt.

Dat laatste is ook wel te begrijpen. Voor zijn interview kan de redacteur op zoek naar een willekeurige deskundige, bijvoorbeeld door de universiteit te bellen (terzijde: ik haalde ooit het RTL nieuws omdat ik de enige was die bij de vakgroep op vrijdagmiddag de telefoon opnam). Maar door meteen een bekende te bellen, kan de redacteur een hoop onzekerheid uitschakelen, en sneller tot een transactie komen.

Dat verklaart waarom we zoveel dezelfde mensen in de krant en op tv zien. Maar voegen ze iets toe? Het verhaal van de transactie laat zien dat niet is uit te sluiten, dat continu de verkeerde man of vrouw in de krant verschijnt. Maar dat lijkt me dan niet de schuld van de economen als groep, zoals in het artikel gesuggereerd wordt – voor andere disciplines zou dezelfde logica moeten gelden. Wie weet welke getalenteerde econoom wordt overgeslagen als Maarten van Rossem weer eens gebeld wordt?

Wie betere kwaliteit van analyse wil, zou er dus voor moeten zorgen dat de kwaliteit daarvan een grotere rol gaat spelen bij het uitnodigen van experts. Onder meer Philip Tetlock maakt zich hier in de VS sterk voor, door middel van het systematisch scoren van voorspellingen. Daar ligt nog een mooi terrein braak in Nederland.

Dit artikel, dat een paar dagen geleden op de Correspondent verscheen, vraagt om een reactie. Het beschrijft de invloed van economen op beleid en hun rol in de media, vergeleken met andere wetenschappers zoals filosofen en historici. Volgens Rutger Bregman (zelf historicus) is de econoom de machtigste wetenschapper, en zijn cijfers over mediaoptredens “verbijsterend”.

Ik haal de twee zaken (macht en media) even uit elkaar. Over economen in de media zal ik morgen wat zeggen. Wat betreft de macht komt het artikel met harde cijfers:  het aantal vermeldingen van economen (en economie) in Kamerstukken en in de krant. Daar zien we dat economen vaker worden genoemd dan collega-wetenschappers, en het gat wordt na 2008 groter.

corres_econ

De suggestie is dat economen onevenredig vaak worden aangehaald. Volgens Bregman is het zo dat economen “historici, filosofen, sociologen en antropologen wegdrukken in de besluitvorming”. Vermoedelijk zou een uitkomst waarbij alle disciplines ongeveer even vaak worden geraadpleegd, als eerlijker gezien worden. Dringt de econoom zijn of haar mening op, ten koste van de rest?

Als econoom zeg ik daarover: het is een kwestie van vraag en aanbod. Als we uitgaan van vermeldingen in de Kamer, zoals in de grafiek hierboven, lijkt het me dat de Kamerleden expertise zoeken op het gebied van zaken waar de Kamer over moet beslissen. Dat kan natuurlijk van alles zijn. Als gaat het over het deelnemen aan een vredesmissie, of de vraag of je koning mag beledigen, lijkt het me heel goed om historici of filosofen om raad te vragen. Bij kwesties zoals het hervormen van het belastingstelsel of maatregelen tegen excessieve beloning zou je misschien beter een econoom kunnen polsen. De verhouding geraadpleegde wetenschappers zou dus bepaald moeten worden door de vraag: waar houdt de Kamer zich zoal mee bezig? Betreft dat hoofdzakelijk gebieden waar economie een belangrijke rol speelt?

Nou gaat economie zo’n beetje over alles, maar dat kun je ook over geschiedenis of filosofie zeggen. Wel zijn er een hoop economische inzichten die specifiek voor politici goed van pas kunnen komen, omdat ze helpen om de gevolgen van beleid in beeld te brengen. Ik denk bijvoorbeeld aan (maatschappelijke) kosten-baten-analyses of een analyse van marginale belastingdruk voor en na beleid. Hier komt het ideaal van Keynes, economen als een soort van tandartsen, dichtbij. Economen dragen informatie aan, de politicus beslist. Als er vanuit de Kamer (of de krant) veel vraag naar economische informatie is, zullen er veel economen geraadpleegd worden.

Dan het aanbod. Economen worden niet geboren, net zomin als historici. Een mens wordt econoom door economie te studeren. Een reden dat er meer economen dan filosofen optreden in de Kamer, is wellicht dat er veel meer economen dan filosofen zijn. Maar belangrijker is misschien nog wel: wie kiest ervoor om economie te gaan studeren? Dat kan zomaar eens het type mens zijn, dat zich graag bezighoudt met  het soort vraagstukken waar de Kamer over gaat. Dat die daar uiteindelijk terecht komt om zich met Kamerzaken te bemoeien, komt wellicht niet alleen door de studie.

Conclusies trekken op grond van de grafiek is dus lastig. De vraag of economen dominant zijn hangt af van de toegevoegde waarde van het advies, en de vraag of economen andere nuttige inzichten verdringen. Dat valt niet af te lezen uit deze lijntjes. Maar de vraag wat de econoom eigenlijk kan, is natuurlijk wel belangrijk. In het artikel wordt stilgestaan bij het feit dat economen niet kunnen voorspellen, iets wat ik graag beaam. Maar kunnen ze daarmee helemaal niks? Of kunnen ze minder dan ze beweren? Het stuk over media-economen biedt houvast om daar verder over te denken. Morgen meer.

(Eerder over economen en wat ze wel en niet kunnen.)

De John Bates Clark Medal, prijs voor de beste econoom in de VS onder de 40 (zie eerdere berichtgeving) is dit weekend toegekend aan Roland Fryer, die dingen heeft gedaan op het gebied van arbeid, onderwijs, maar vooral raciale ongelijkheid in de VS.

Het leuke van zo’n prijs is ook dat het een aardig inkijkje geeft in wat er op dit moment echt toe doet in de economische wetenschap. Al zeker sinds 2010 (zie Wikipedia) is de prijs eigenlijk alleen nog maar gegaan naar toegepast, empirisch micro-onderzoek, vaak met veldexperimenten, over onderwerpen waar de gemiddelde Nederlandse krantenlezer bepaald niet aan zou denken als hij het economie-katern leest.

Fryer heeft een nogal opvallende achtergrond. Hij is zwart (als eerste winnaar), werd verlaten door zijn moeder, mishandeld door zijn vader, en komt uit een familie van drugsdealers. Dit artikel uit de New York Times is al uit 2005, maar nog steeds de moeite waard.

Vandaag zijn er verkiezingen. Voor wie zijn stem wil laten bepalen door Wat De Econoom Er Van Vindt (en inderdaad, wie wil dat niet) komt recent onderzoek van van Dalen, Klamer en Koedijk prima van pas. Zij vroegen Nederlandse economen (verbonden aan een universiteit, of lid van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde) naar hun politieke voorkeur. Daaruit blijkt dat een verpletterende 41% vandaag zijn stem uitbrengt op D66. Opvallend, want een slordige 30 jaar geleden hoorde je er als econoom nog niet echt bij als je geen lid was van de PvdA. Anderzijds: uiteraard betekent deze uitslag ook gewoon dat de meeste economen niet op D66 stemmen.

Andere middenpartijen (PvdA, GroenLinks, VVD, CDA) scoren dik 10%, terwijl de SP op slechts 3% mag rekenen. Geen enkele academisch econoom bleek bereid zijn stem uit te brengen op de PVV. 50Plus krijgt überhaupt geen stem, terwijl het aantal KVS-leden in de doelgroep van deze partij toch aanzienlijk is.

Helaas blijft onduidelijk waar we bij de waterschapsverkiezingen op moeten stemmen.

Even iets heel anders nu. Johann Wolfgang von Goethe is volgens Wikipedia vooral bekend als wetenschapper, toneelschrijver, romanschrijver, filosoof, dichter, natuuronderzoeker er staatsman. Minder bekend is dat de man ook nog eens een briljant speltheoreticus was.

Het schijnt dat in de 18e eeuw auteursrechten nog niet zo goed geregeld waren. Een auteur verkocht zijn werk gewoon aan een uitgever, die daarmee alle rechten op het werk kreeg. Voor de auteur was het lastig in te schatten hoeveel de uitgever nu precies aan zijn werk kon verdienen. Bij de verkoop van zijn gedicht Hermann und Dorothea, verzon Goethe daar iets op:

Was das Honorar betrifft, so stelle ich Herrn Oberkonsistorialrat Böttiger ein versiegeltes Billet zu, worin meine Forderung enthalten ist, und erwarte, was Herr Vieweg mir für meine Arbeit anbieten zu können glaubt. Ist sein Anerbieten geringer als meine Forderung, so nehme ich meinen versiegelten Zettel uneröffnet zurück und die Negation zerschlägt sich, ist es höher, so verlange ich nicht mehr als in dem, alsdann von Herrn Oberkonsistorialrat zu eröffnenden Zettel verzeichnet ist.

Inderdaad. Goethe schrijft een bedrag op, stopt dat in een gesloten envelop, de uitgever mag een bod uitbrengen, is dat hoger dan het bedrag dan Goethe heeft opgeschreven dan krijgt hij het manuscript tegen het bedrag dat was opgeschreven, zo niet dan niet.

Liefhebbers herkennen hierin natuurlijk onmiddellijk een variant op de second-price sealed-bid auction, bijna twee eeuwen later opnieuw geintroduceerd door William Vickrey en daarom ook bekend als Vickrey auction. Bij zo’n veiling is eenvoudig aan te tonen dat het een dominante strategie is om je eigen waardering te bieden. Op die manier komt de veilingmeester (Goethe) er dus achter wat het geveilde goed waard is. En dat was precies de bedoeling.

Meer hier, en in het Duits hier. Moldovanu en Tietzel schreven er over in JPE.

Overigens liep het met Goethe’s veiling niet goed af. De tussenpersoon bleek niet geheel betrouwbaar, waardoor de uitgever een bedrag bood dat precies gelijk was aan het bedrag dat Goethe had opgeschreven. Op zich merkwaardig, want in principe maakte het voor de uitgever niet uit of hij weet wat dat bedrag is.

Zit u ook handenwringend te wachten op nieuws over de onderhandelingen tussen Griekenland en de eurozone? Wij wel, al was het alleen maar omdat de Griekse onderhandelaar een uitgebreide kennis over speltheorie bezit. Dat maakt het leuker dan, bijvoorbeeld, de mislukte pogingen van een stofzuigerhandelaar om een grote tegenpartij een loer te draaien.

Maar stijgen zijn kansen ook door deze theoretische kennis, of maakt het Griekenland juist kwetsbaar, omdat Europa weet met een rationele tegenstander van doen te hebben? Oh maar wacht – de onderhandelaar ontkent in de krant een strategisch spel te spelen, omdat er maar één mogelijke uitkomst is.

Heerlijk toch? Voor de niet-ingewijden, het kan niet lang meer duren voordat we Varoufakis gebruik zien maken van de volledige Madman-theorie, ooit geperfectioneerd door Richard Nixon. Een simpele inleiding voor Nederlanders vindt u hier onder de titel Slagbomen dalen automatisch.

Gelukkig nieuwjaar! Wij zijn dol op tradities, daarom bij deze het jaarlijks overzicht van de meest gelezen berichten van het afgelopen jaar (zie ook 2011, 2012 en 2013):

Verrassend genoeg dus dezelfde lijstaanvoerder als vorig jaar: onze berichtgeving over de affaire Reinhart & Rogoff, nu toch al weer bijna twee jaar geleden. Waar alle lezers van dat bericht nu precies vandaan komen blijft een raadsel. Verder duiken er twee berichten uit nota bene juni 2010 weer op. Dat over het winnen van de voetbalpool weet elke twee jaar de top 10 te halen, waar de interesse voor postzegels zonder prijs ineens vandaan komt is niet geheel duidelijk.

Cor ziet er niet best uit. Hij is de hele nacht opgebleven en heeft duizenden oliebollen gebakken. Het mag niet baten. De rij voor zijn zaak is bijna 30 meter lang en het lijkt erop dat de voorraad er ver voor sluitingstijd door gaat. Cor bakt de beste bollen van het dorp.

Ik heb gereserveerd en neem mijn zak bij de aparte balie in ontvangst. “Je moet je prijzen verhogen” probeer ik bij Cor. “Nu moet je straks mensen teleurstellen. En je had ook nog eens meer kunnen verdienen.”

Cor schudt zijn hoofd. “Weet je, ik vind het al moeilijk om er zoveel voor te vragen. Het blijft natuurlijk maar een balletje meel. Daar kun je de mensen geen kapitalen voor laten betalen.”

“Ja maar”, probeer ik nog, “nu moeten ze in een rij staan wachten. Misschien betalen ze liever iets meer voor een snellere service?”

“Dan hadden ze maar moeten reserveren.”

Het is inmiddels een jaar geleden dat ik dit gesprek voerde en ik ben er nog niet uit of mijn oliebollenbakker (olie-)dom is of een goed gevoel heeft voor het verloop van de vraagcurve. Gaan klanten werkelijk niet akkoord met een prijs die duidelijk veel hoger is dan die van de ingrediënten?  Of leidt een hogere prijs tot imagoschade voor de zaak waarmee Cor de rest van het jaar zijn geld verdient? In ieder geval zou hij de prijs voor gereserveerde bollen moeten verhogen, boven die voor de losse verkoop. Is die rij toch nog ergens goed voor.

Een schamele 31 berichten op de site, dit jaar. Laten we het positief bekijken: uw bloggers kregen ook de afgelopen 12 maanden weer meer verantwoordelijkheden buiten het runnen van eco.nomie.nl. De berichtenluwte is niet onopgemerkt gebleven:

Zelfs het bezoek liep dit jaar terug. We noteerden 772.531 pageviews, zo’n 13% minder dan in het recordjaar 2013.

2014

De top tien van zoektermen (oftewel, hoe kijkers op deze site terechtkomen) is, zoals ieder jaar, weer flink door elkaar gehusseld. We zien het WK voetbal prominent terugkomen op plaats 2 en 7, iets dat in het vorige WK-jaar nog niet het geval was. De zoekterm “solliciteren” zakt van 2 naar 8, een teken dat het met de arbeidsmarkt iets beter gaat. De vele mensen op zoek naar informatie over schuttingen komen steevast op dit bericht uit, wat ze niets verder helpt.

1 vrijdag humor
2 meest voorkomende uitslag wk
3 (3) inkomensverdeling nederland
4 (10) producentensurplus
5 (7) accijns op vuurwerk
6 schutting schade
7 hoe win ik voetbalpool
8 (2) solliciteren
9 phillips curve data
10 schutting ideeen

Dat was, wat ons betreft, 2014. Ik zou graag eindigen met goede voornemens over de vele berichten die we in 2015 gaan schrijven. Maar laten we wel wezen: sinds het begin van eco.nomie.nl, bijna 10 jaar geleden, is ervoor de lezende econoom ook heel erg veel bijgekomen op het Nederlandstalige internet. Wij blijven onze kleine bijdrage leveren en hopen op uw onregelmatige bezoek in het nieuwe jaar.

Oudere berichten »