Hier komt de storm

Buiten vliegt een vuilnisbak door de lucht. Het strand is overgenomen door de zee en op de kustweg voor ons huis ligt een boom. De zware tropische cycloon Hato trekt langs Hongkong en hoewel we comfortabel binnen zitten, is het goed voor te stellen dat de schade buiten aanzienlijk moet zijn. Als de wind later op de dag weer gaat liggen, begint meteen het opruimwerk. De boom wordt in stukken gezaagd en afgevoerd, het strand ontdaan van de aangespoelde troep. De vuilnisbak blijft spoorloos.

Hoe groot is de schade van zo’n langstrekkende tyfoon? Uiteraard is er van alles stuk, hoewel de fysieke verwoesting uiteindelijk mee lijkt te vallen. Dankzij een uitgebreid waarschuwingssysteem wist iedereen ver van tevoren dat de storm eraan kwam. Maar daardoor heeft de economie in stad ook een dag lang stilgelegen. Ik kreeg om 7 uur een SMS dat ik niet verwacht werd op mijn werk (alweer). De straten waren uitgestorven, de winkels dicht. In de krant komen de volgende ochtend experts aan het woord die het erop houden dat er tussen een halve en een hele dag BBP verloren gegaan is.

Maar dat lijkt wat simpel. Het is goed mogelijk dat het bruto binnenlands product juist stijgt als gevolg van de storm. Er zijn relatief weinig activiteiten die afgelast zijn in plaats van uitgesteld, en de opruim- en herstelwerkzaamheden leveren een hoop extra productie op. Dat is een goede les voor degenen die BBP als maat voor de welvaart gebruiken, want van het herstellen van iets dat er gisteren nog stond maakt je netto niet veel beter af.

Maar hoe groot is het effect of productie dan precies? Toen vijf jaar geleden New York werd geraakt door superstorm Sandy, konden economen van de Fed later maar moeilijk een effect in de Amerikaanse BBP-groei ontdekken. Er zit al zoveel ruis in de groei dat een storm meer of minder daar niet veel aan verandert. Wellicht dat de gevolgen beter in beeld komen als we kijken naar het gemiddelde effect van een heleboel stormen. Interessant genoeg bestaat er inderdaad werk van twee Amerikaanse economen die data over alle tropische cyclonen tussen 1950 2008 combineren met gegevens over economische groei tijdens, en na, iedere storm.

Daaruit blijkt dat de gevolgen van een cycloon aanzienlijk, negatief, en langdurig zijn. Tot 15 jaar na de gebeurtenis is de groei lager dan in het geval er geen storm geweest zou zijn. Zie de grafiek hieronder, met op de verticale as de intrigerende eenheid BBP per persoon per meter per seconde (die laatste twee gaan over de windsnelheid).

Achterin het artikel staat een tabel met de potentiële economische groei van verschillende landen, als er nooit meer een storm langs zou komen. Hongkong zou, volgens dit lineaire model, met 14% in plaats van 4% per jaar kunnen groeien. Dat lijkt wat gortig, en misschien wordt hier een lijntje iets te ver doorgetrokken. Maar zeker zullen we het toch niet weten. Zondag komt de volgende tyfoon.

U kunt vandaag helaas niet werken

Vrolijke verjaardag van de Boeddha! Ik moet toegeven dat ik in het verleden de achtste dag van de vierde maand van de Chinese maankalender wel eens vergeten ben, maar toen ik er gisteren een vrije dag voor kreeg stond het mij ineens weer helder voor de geest. En het was nog maar zo kort na de dag van de arbeid, ook al een vrije dag.

Het jaar telt 17 publieke feestdagen in Hongkong, aanmerkelijk meer dan de 9 die Nederland er viert. Wat niet wil zeggen dat er hier minder gewerkt wordt; waar Nederland qua gewerkte uren doorgaans onderaan bungelt, duurt de werkweek in deze stad het langst. Het verschil zit ’m dus in het individueel of collectief vrij zijn.

Het kiezen tussen een verplichte vrije dag en een vrije dag die je zelf mag plannen, blijkt nog niet zo simpel. Volgens mijn economische intuïtie is meer keuzevrijheid altijd goed, en zijn verplichte vrije dagen daarmee suboptimaal. Maar ideeën over een extra verplichte vrije dag op 5 mei zijn populair in Nederland, en in het VK hoopt Labour de verkiezingen te winnen met maar liefst vier extra vrije dagen.

Wellicht denken mensen dat de extra vrije dagen gratis zijn, in de zin dat er voor hetzelfde geld minder gewerkt hoeft te worden. Mijn ervaring is eerder dat het werk zich niets aantrekt van de vrije dag, en er op andere dagen gewoon een extra hoeveelheid taken wacht. Hoewel dat niet voor iedereen zo zal zijn (of loopt de lopende band na een feestdag harder?), denk ik dat het voor de meeste mensen wel zo werkt. Bovendien ligt het macro-economisch moeilijk om minder te produceren maar wel evenveel te verdienen.

Het meest in het oog springende nadeel van collectief vrij zijn, is dat het bovengemiddeld druk wordt bij gelegenheden waar mensen op een vrije dag naartoe gaan. Gisteren was het druk op stranden, veerboten en in winkelstraten. Bij een zelfgekozen vrije dag is het waarschijnlijker dat de drukte zich spreidt. Voor bazen geldt dat de tent dicht moet, iets dat minder waarschijnlijk is als personeel zelf vrije dagen kiest. En daar bovenop komt nog het probleem dat sommige wekelijkse diensten opeens een week overslaan.

Maar er zijn ook voordelen aan het collectief vrij zijn. Het is een oplossing voor het coördinatieprobleem dat optreedt als vrije dagen niet centraal geregeld worden: hoe spreek je af met vrienden en bekenden? Duitse economen rekenden uit dat het keeping in touch effect minstens een stuk of 17 verplichte feestdagen waard is. En door gecoördineerde vrije dagen is het ook waarschijnlijker dat iedereen er wél is op de rest van de dagen, wat samenwerken makkelijker maakt. Een derde reden is het feit dat een publieke vrije dag geen schuldgevoel, of slecht signaal, opwekt bij degene die niet op de zaak is. En het overkomt mij nog wel eens dat ik verrast wordt door de verplichte vrije dag, wat het op de een of andere manier ook leuker maakt.

Het optimale aantal publieke vrije dagen is waarschijnlijk meer dan in de VS (ook 9) en minder dan Sri Lanka (25). Ligt 17 dicht bij het optimum? Vraag het mij na het Tuen Ng Festival en Establishment Day.

[Kruispost vanaf ESB. Eerder op deze site]

Lenen bij de cijferbank

De lokale krant schrijft vanochtend over een intrigerende innovatie op een internationale school in Nanjing: leerlingen die zakken voor een examen kunnen punten bijlenen bij een nieuw opgerichte cijferbank. De lening moet wel worden terugbetaald (met rente!) door op een volgend proefwerk méér dan een zes te halen. Het systeem is bedacht in samenwerking met ouders, die werken in de bankensector.

Zoals altijd ontbreken de cruciale details. Worden leningen van tevoren beoordeeld door een kredietafdeling? Moet de terugbetaling gebeuren met punten uit hetzelfde vak? Wat is de rente? En als je eerst een hoog cijfer haalt en dan pas een onvoldoende, staat je hoge cijfer dan ook op de bank?

Maar het idee is stimulerend, omdat opeens een collectie aparte, schaarse, goederen fungibel wordt, dat wil zeggen, verhandelbaar. Onmiddellijk herinner ik mij weer de klasgenoot die alle vakken gemakkelijk kon halen, maar bleef zitten op zijn vier voor Frans. Daar had de cijferbank goed werk kunnen verrichten, helemaal als het Nibud hem in de eerste klas gewaarschuwd had om altijd minstens een 6½ te halen.

Voor zover mijn (stokoude) kennis nog relevant is, kon je in Nederland altijd al compenseren binnen hetzelfde vak – met de gevleugelde uitdrukking “ik mag voor wiskunde een 3½ halen” tot gevolg. Binnen dat systeem is de student slachtoffer van de min of meer willekeurige afbakeningen tussen vakken, waardoor een onvoldoende bij wiskunde A wel gecompenseerd wordt door een hoog cijfer voor datzelfde vak, maar niet door een 10 bij wiskunde B. Dat is pure financiële repressie. Het idee van een cijferbank schetst een wereld waarbij de verhandelbaarheid van cijfers flink toeneemt, met een verhoogde welvaart tot gevolg.

Tenminste. De vraag is natuurlijk of kennis net zo fungibel is als cijfers bij de cijferbank. Wie wil er naar een dokter die zijn vier voor het examen infectieziekten heeft gecompenseerd met een acht voor sportblessures?

Ik neem aan dat tegoeden bij de cijferbank niet overdraagbaar zijn tussen leerlingen. Niet dat ik nou denk dat die ambitieuze Chinese studenten elkaar een beter rapport cadeau gaan doen, maar hoe zou het zijn om je eigen zoon of dochter te laten genieten van het tegoed dat je nog bij de cijferbank hebt staan? Een kleine cijfer-erfenis voor junior.

Niet eerlijk natuurlijk. Maar nu vraag ik mij af waarom we gewone erfenissen dan wel acceptabel vinden.

Politiek risico

Op mijn bureaublad prijken tegenwoordig twee kalenders: naast de publicatiekalender met economische cijfers staat een kalender met politieke gebeurtenissen. Gisteren het Italiaanse referendum en de presidentsverkiezing in Oostenrijk. Verkiezingen in Nederland, Frankrijk, Duitsland volgend jaar. En, voor de zekerheid ook maar, de parlementsverkiezingen Ghana op 7 december en in Roemenië op 11 december.

Het is bij beleggers gewoon om te praten over “politiek risico”, wat de zaken feitelijk omdraait. Voordat de politiek opspeelt, is het risico al lang en breed aangekomen bij de burgers, die vervolgens bij de stembus verhaal komen halen. De schokkende uitslagen van het Britse referendum en de Amerikaanse verkiezingen zijn boodschappers van onvrede, geen ongelukken uit het niets. Dat burgers hun ongenoegen kunnen uiten is één van de goede eigenschappen van democratie, die weliswaar op korte termijn leidt tot risico, maar er ook voor zorgt dat grotere problemen op langere termijn achterwege blijven.

Die langere termijn maakt het moeilijk om direct aan te tonen dat democratie leidt tot betere economische prestaties. De economische literatuur doet haar best, nu lijkt het weer dat democratie er inderdaad toe doet, maar de discussie is nog niet gesloten. Ongeacht de resultaten, lijkt de stemmer het stemmen an sich op prijs te stellen. Toch is er in veel Westerse landen een trend waarneembaar om het wel best te vinden met de democratie.*

Wat in zo’n geval helpt is een tijdje doorbrengen in een land met een gemankeerde vorm van democratie. Hier in Hongkong is na de teruggave aan China een systeem opgetogen waarbij er wel gestemd kan worden, maar de invloed van burgers beperkt blijft. Door bedrijven stemrecht te verlenen, bijvoorbeeld, of alleen al door de notie dat grote buur China in zal grijpen als er al te gekke dingen gebeuren.

Zoals eerder dit jaar, toen twee politici in het parlement gekozen werden die beloofden aan te sturen op onafhankelijkheid van China. Geen heel praktisch idee, maar dat maakte in dit geval niet uit: nog vóór de eerste vergadering waren de twee alweer uit het parlement gewipt, zoals blijkt uit dit lezenswaardige artikel. Zo is het politiek risico beperkt, in ieder geval voorlopig. Maar ondertussen loopt meer dan de helft van de jongeren rond met plannen om te emigreren. Een lange-termijn probleem waar de stad voorlopig nog geen antwoord op heeft.

* Een bericht dat nu trouwens tegengesproken wordt.

Formulieren

img_0645

Met een oorverdovend lawaai landt de helikopter op de helipad aan het einde van de kustweg. We kijken toevallig toe vanaf een terras, de bierviltjes vliegen door de lucht. Zogauw de wielen van de helikopter op de grond staan springen twee mannen naar buiten en spoeden zich naar de ambulance die even verderop geparkeerd staat. De ene bekommert zich om de patiënt, zijn collega neemt een stapel papieren in ontvangst. Terwijl de formulieren gevaarlijk heen en weer wapperen neemt hij ze rustig door, zet hier en daar een krabbel, overlegt nog een paar keer met de chauffeur van de ambulance, stopt het hele pak papier in een tas. Pas daarna verheft de helikopter zich weer, op weg naar het ziekenhuis.

We zijn sinds een paar maanden in Hongkong, en het moet gezegd, over het algemeen lopen de zaken hier gesmeerd. De bussen rijden op tijd, het internet is snel, en kennelijk hoeft zelfs een hartaanval op één van de eilanden niet meteen fataal af te lopen. Toch viel het me op dat er zo vreselijk veel administratie kwam kijken bij het verhuizen naar dit nieuwe land. Dat kan natuurlijk normaal zijn, maar ik heb zo’n gevoel dat het niet alleen aan mijn verhuizing ligt. De voorliefde van een Hongkonger voor een geheel en naar waarheid ingevuld formulier is groot, en geen gelegenheid lijkt te onbelangrijk om vast te leggen op papier. Grote dingen als het openen van een bankrekening lopen al gauw in de tientallen pagina’s, maar ook het kopen van iets kleins, de toestemming voor het schoolreisje, of het insturen van een tekening voor een kleurwedstrijd loopt vaak uit op een behoorlijk invulwerk.

Dat ligt niet echt voor de hand. Het land is modern en veel zaken kunnen in principe online. Grote buur China lijkt alles over het internet te laten lopen. Maar aan deze kant wordt het netwerk vooral gebruikt om al vóór de afspraak een formulier door te kunnen sturen. Liefst vragend om informatie die allang bekend is. En helemaal prachtig is het betalingsverkeer, waarin het mini-formulier dat u wellicht nog kent onder de naam “cheque” het voornaamste medium is. Digitaal overschrijven kan alleen tegen hoge kosten.

Als ik mijn collega’s vraag naar het nut van al dit nijvere invullen, dan halen ze hun schouders op. Zonder formulier doet nu eenmaal niemand iets, en dus ligt er al snel een stuk papier op tafel. Het komt op de buitenlander vreemd over dat wat bezweringen, een stempel en een handtekening op een blaadje de mensen in beweging kunnen krijgen, maar goedbeschouwd is ons gebruik van bankbiljetten niet heel veel vreemder. Ik vraag me af of het iets zegt over de hoeveelheid vertrouwen, of sociaal kapitaal, dat alles op schrift moet. Of zou het een uitvloeisel van het rechtssysteem zijn? In ieder geval is het weer een goede herinnering aan het feit dat veel van onze handel gaat volgens lokale gewoontes, in plaats van universele regels.

Blijft over de vraag wat er met alle ingevulde formulieren gebeurt als de handeling verricht is. Zouden ze allemaal in een archief belanden, of is er een groot aanbod van oud papier?

(kruispost vanaf ESB)

Bayesiaans updaten in Hong Kong

De bus zet zich in beweging en rijdt naar de grote straat. Nu wordt het spannend. Is het druk? Laat het verkeer ons makkelijk invoegen? Met ingehouden adem volg ik de verrichtingen van de chauffeur, want elke minuut vertraging kost mij uren per jaar. Gisteren, toen ik mijn eerste wagen boodschappen hier afrekende, was het al net zo spannend. En dan moet de eerste salarisstrook nog komen.

U begrijpt, ik ben bezig met een grote operatie op het gebied van Bayesiaans updaten. Onlangs ben ik met gezin en al verhuisd naar Hongkong, om een aantal jaar in het Aziatisch kantoor van mijn bedrijf te werken. Natuurlijk hadden we onze priors over het leven hier, maar die waren, laten we zeggen, wat diffuus. Hoe lang de rit naar de zaak in de praktijk zou duren, hoe toereikend het salaris in Hongkong dollar zou blijken: we hadden een vaag idee en hoopten er verder het beste van. En dus bevatten de eerste kassabon, en de eerste rit naar kantoor, extreem veel informatie. De kassajuffrouw en de buschauffeur weten het niet, maar voor elke dollar en elke minuut die zij in rekening brengen, verschuift de kansverdeling in mijn hoofd met vrijwel hetzelfde bedrag; dat, maal het aantal dagen dat we hier zullen zijn, verklaart de onnatuurlijke spanning bij deze dagelijkse beslommeringen.

Hier houdt het natuurlijk niet op. We maakten ons zorgen over de hoge temperaturen in de zomer; in de praktijk blijkt het erg mee te vallen. Maar zojuist vertelde een collega mij dat deze zomer ongekend mild was. De verdeling zwaait heen en weer.

De onzekerheid over deze belangrijke elementen in mijn leven is enerverend, en niet noodzakelijk slecht, om dezelfde reden dat onzekerheid in bijvoorbeeld beleggingen aantrekkelijk kan zijn. Als de wereld zich een beetje normaal gedraagt, is er voor elk risico een risicopremie – we zouden dus uiteindelijk beter af moeten zijn dan onze vrienden die in hun vertrouwde omgeving zijn gebleven. En bovendien, zonder onzekerheid is er nooit een onverwachte meevaller. Alleen – hoe hoog is de risicopremie, en hoeveel wordt er in ons geval uitbetaald?

De huisarts loopt naar zijn printer om de rekening voor ons eerste bezoek op te halen. Nog even en ik ben weer een stukje dichter bij de realisatie.

(kruispost vanaf ESB)

Vragen voor Larry Summers

Deze vrijdag kan de Nederlandse econoom gaan luisteren naar één van zijn meer beroemde vakbroeders uit de VS: Lawrence H. Summers (zie de filmscene; familie van en van; en het schilderij). Hij spreekt dan de Tinbergenlezing uit op de Nederlandse Economendag. In plaats van een verslag ter plekke, zoals vorig jaar, kijk ik dit jaar vast vooruit naar de lezing.

De reden: we weten al wat Summers in Amsterdam gaat zeggen. Het moet wel heel raar lopen als zijn lezing niet grotendeels gaat over het onderwerp waarover hij bijna een jaar geleden voor het eerst sprak: secular stagnation, of hoe de uitval van vraag leidt tot een stilvallen van de economische groei. Symptomen: lage investeringen, minieme inflatie, lage rente, hoge werkloosheid. Daarmee kun je Europeanen goed om de oren slaan: zie bijvoorbeeld op deze video (ca. 14:40) hoe Larry de heren Schäuble en Padoan onder handen neemt, recent bij het IMF.

Zijn aanbeveling is even simpel als controversieel: oppeppen die vraag, met monetaire middelen en, als die zijn uitgeput, door te investeren met geleend geld. Onder de huidige omstandigheden verdient een goede investering (bijvoorbeeld in infrastructuur) zichzelf makkelijk terug, en stimuleert ook nog eens de groei. Uiteindelijk is dit een hoopvol verhaal, want het stelt dat de huidige lage groei niet wordt veroorzaakt door een lage potentiële groei: er is een manier om weer uit de put te komen.

Het is een mooi betoog en Summers is een prettige spreker. In combinatie met zijn sterk Keynesiaanse boodschap, die er bij het Nederlandse publiek doorgaans goed ingaat, lopen we het risico op een kritiekloos applaus. Daarom nu vast wat kritische vragen.

1. Investeren in infrastructuur is het tovermiddel voor landen die te maken hebben met stilval. Maar neem bijvoorbeeld Spanje, een land dat wel wat stimulatie kan gebruiken. De reden dat het land in de touwen hangt, is juist een overinvestering in infrastructuur in de jaren voor de crisis. Moeten we daar nog meer van doen? En moet Italië, om een andere klant te noemen, echt meer gaan lenen om weer te groeien?

2. De Duitse infrastructuur is een stuk slechter, en Duitsland is in een positie om de beurs te trekken. Maar er is wellicht een reden dat de Duitsers zo op de centen zijn. Niet vanwege die nationale inflatie-angst, maar vanwege de dynamische budgetrestrictie: de demografie van Duitsland is buitengewoon ongunstig en sparen voor de oude dag gebeurt slechts sinds een jaar of tien.

3. Investeren doe je waar de marginale productiviteit het hoogst is. Sinds kapitaal makkelijk de wereld over kan, gaat het Europa uit, op weg naar opkomende landen of de VS. Pleit Summers eigenlijk voor het weer afsluiten van het vrije kapitaalverkeer, zodat onze besparingen verplicht lokaal worden ingezet?

Muziek is te goedkoop

De wereld in 2014 is helemaal niet zoals ik die mij in 1984 voorstelde. Feitelijk is het een grote teleurstelling: vliegtuigen lijken nog sterk op die van 30 jaar geleden, een maanbasis is er niet en we maken nog altijd ruzie met Rusland. Maar in één opzicht hebben we de perfectie bereikt: de distributie van muziek is onherkenbaar ver weg van het vinyl en de cassette uit mijn jeugd. Sparen voor een elpee uit de platenzaak, opnemen van de radio; jonge mensen kijken je verward aan als je erover begint. Muziek is er gewoon, voor een symbolisch bedrag gaat de oneindige catalogus open.

Spotify. Hans Stegeman schreef er een gedurfd stuk over, waarin hij de voordelen van de oude situatie opnoemt. Spotify is als een warm buffet waar je met buikpijn vandaan komt, en waardoor je uiteindelijk slechter af bent. De auteur noemt twee argumenten tégen. Ten eerste, het uitbundige aanbod en de lage prijs verhogen ons reële inkomen zo, dat we ons niet langer wensen in te spannen. Dat remt de economische groei. Ten tweede, door de overvloedige muziek verdwijnt de kracht van de herhaling. Dat maakt dat de moderne mens niet langer de tijd neemt om zich in de muziek te verdiepen en er zo minder van geniet.

Nou kunnen we ons wel vrolijk maken over deze oude man en zijn cassettebandjes, maar feitelijk geeft Stegeman hier een een fraai stukje post-scarcity economics ten beste. Als het aanbod alsmaar verder stijgt, houdt economie – de wetenschap van de schaarse middelen – dan op? Is dat ook het einde van het verlangen, en is dat erg?

Er zit een rare tegenspraak in het eerste argument, dat rijkdom zorgt voor lagere groei. Want, wie treurt erom dat de groei afneemt, als het resultaat van die groei alleen maar meer rijkdom is? Als de verdere vooruitgang louter zaken als Spotify oplevert, waar we ons vervolgens zorgen over moeten maken, dan is wat minder vooruitgang wellicht niet erg.

Het tweede argument is (om in muziektermen te blijven) een gouwe ouwe: gegeven een grote vrijheid zijn mensen niet in staat het beste voor zichzelf te doen. Want niets verhindert natuurlijk dat de consument zijn Spotify-abonnement gebruikt om telkens maar weer dezelfde Bach-sonate af te spelen en op die manier de diepere waardering op te bouwen. Het is een argument dat vaker wordt gebruikt (verplichte pensioenpremies, leerplicht, de verplichte helm) maar dat hier toch wat bizar aandoet. Met eenzelfde logica zou je vragen kunnen stellen bij het grote aanbod van de openbare bibliotheek. Zo komt de consument nooit toe aan het herlezen van de klassiekers. Onze ervaring met boeken laat zien dat het zo’n vaart niet loopt.

Diepe vragen bij een simpele aanbieder van streaming muziek. Gelukkig is er al vaker over nagedacht. In het bekende Economic Possibilities for our Grandchildren [uit 1930, pdf] loopt Keynes de gevolgen van een sterk toegenomen welvaart na. Hij ziet er wel naar uit: de verminderde druk om te produceren laat de mens vrij om te doen wat werkelijk de moeite waard is: pluck the hour of the day virtuously and well, inderdaad, er komt een hoop virtue kijken bij het doorkomen van de dag. Voor Keynes is dat het antwoord op de toegenomen vrijheid: de mens moet zelf deugdzaam genoeg zijn om er wat van te maken. Een goede raad voor Spotify-gebruikers: af en toe netjes een heel album beluisteren en niet alleen de categorie most popular aanzetten. Juist omdat het niet meer hoeft, is de voldoening des te groter.

Apple en het e-bookkartel

Vorige week startte de Amerikaanse overheid een zaak [pdf] tegen Apple en een aantal uitgevers wegens het vormen van een kartel op de markt voor e-books. Dat belooft een langdurige zaak te worden die veel economische tongen los gaat maken.

Wat is er aan de hand? De markt voor e-books in de VS werd gedomineerd door Amazon en zijn Kindle e-reader. Effectief koopt Amazon e-books in bij de uitgever en verkoopt ze door aan de consument, een model dat in de literatuur bekent staat als wholesale pricing.

Toen Amazon er een gewoonte van maakt e-books voor slechts 9.99 dollar van de hand te doen waren uitgevers daar niet blij mee. Apple bood aan om ook e-books via Apple apparaten aan te bieden, maar dan via het agency model. In zo’n model bepaalt de uitgever de prijs die de consument betaalt, en krijgt de distributeur, Apple, een vast percentage, in dit geval 30%. Dat riekt naar verticale prijsbinding, in de VS niet per se illegaal.

Maar Apple wilde ook de zekerheid dat boeken die via Apple worden aangeboden kunnen concurreren met die bij Amazon. In het contract werd daarom een "most favored nation" clausule bedongen: als via een andere distributeur (lees: Amazon) hetzelfde boek goedkoper wordt aangeboden, verplicht de uitgever zich er toe dat boek ook voor diezelfde prijs via Apple aan te bieden. Het effect ligt voor de hand: niet dat alle boeken bij Apple even goedkoop worden als bij Amazon, maar juist dat alle boeken bij Amazon even duur worden als bij Apple. En dat is volgens de Amerikaanse overheid precies wat er gebeurde. Op deze manier worden prijzen van e-books kunstmatig hoog gehouden.

Het feit dat alle uitgevers die afspraak samen met Apple maken duidt bovendien op verboden horizontale afspraken: misschien niet direct prijsafspraken, maar dan toch op z’n minst afspraken over hoe de prijs wordt gezet.

Er zijn nog veel meer aspecten die in deze zaak een rol spelen: ten eerste de concurrentie tussen het Amazon-platform Kindle, en het Apple platform iPad. Een typisch gevalletje van tweezijdige markten dus. Ten tweede dat Amazon op de markt voor e-books min of meer monopolist was, en Apple dat monopolie juist probeerde te doorbreken. Ten derde treden uitgevers ook alleen maar op als agent van auteurs, hier een mening van een van hen. Tenslotte heeft ook de EU een onderzoek aangekondigd, al zijn details daarvan nog niet bekend. Uiteraard geldt in de EU de dominantie van Amazon niet.

Hoe dan ook, een en ander wordt ongetwijfeld vervolgd. Meer achtergrond en commentaar hier, hier, hier en hier, veelal sceptisch. Hier staat een modelletje dat laat zien dat agency pricing niet noodzakelijk slechter is dan wholesale pricing. Dit artikel [pdf] geeft ook een aardige achtergrond.

Kruispost van economie.nl

Dreigen is genoeg

De hypotheekschuld van Nederlandse huishoudens is groter dan ons BBP en dat is een risico voor ‘s lands financiële systeem. Vanaf 1 augustus vorig jaar zijn er daarom nieuwe regels die excessen moeten voorkomen.

Tot zover het officiële beleid. Maar minstens zo effectief was het schaduwbeleid om een jaar of twee geleden grote onzekerheid op de woningmarkt te introduceren. Al dan niet met opzet kwam bij Nederlanders het idee tot leven dat de subsidie op het betalen van hypotheekrente in de toekomst omlaag zal gaan. De gevolgen zijn niet mals: de huizenmarkt is in mineur geraakt, transacties nemen af en de hypotheekschuld is de afgelopen twee jaar slechts marginaal gestegen, en als percentage van het BBP gedaald.

Als rem om de hypotheekschuld werkt het gevoerde beleid van twijfel rondom de renteaftrek dus goed. Het is bovendien politiek makkelijk uitvoerbaar: er hoeft immers niets daadwerkelijk te veranderen. Als het aannemelijk is dat er in de toekomst iets zal gebeuren, is dat voldoende. Deze vaststelling is in ieder geval een opsteker voor iedere docent macro-economie die de komende maanden Ricardiaanse equivalentie op het programma heeft staan. Maar gegeven de geringe politieke kosten zou er misschien meer gebruik van het instrument moeten worden gemaakt. De suggestie van toekomstige veranderingen in de regels is makkelijk te doen.

Een praktisch, niet-fiscaal, voorbeeld is de hopeloze situatie rondom orgaandonatie. Hoewel de meeste mensen wel een orgaan willen ontvangen lukt het niet om er voldoende als donor in te schrijven. Er is geen kamermeerderheid te vinden voor een systeem van voor-wat-hoort-wat. Hier kan een slimme minister met twijfel een hoop bereiken. Door te suggereren dat we in de toekomst alleen uit kunnen met een systeem waarin donoren meer rechten hebben,  kan het effect van zo’n systeem al worden bereikt zonder dat er daadwerkelijk iets hoeft te veranderen. Het kan daarbij handig zijn om het voorbeeld van Israel te noemen, waar de tijd dat iemand al donor is een belangrijke rol speelt.

Wie weet. Dat het kabinet het principe van dreigen redelijk onder de knie heeft blijkt verder uit de aangekondigde verhoging van de overdrachtsbelasting per 1 juli. Huizenkopers geloven het. Uiteindelijk is de burger natuurlijk niet gek, wat het effect van de dreiging vermindert als er nooit iets écht gebeurt. Maar af en toe doorpakken is een principe dat iedere ouder kent en waar in de praktijk goed mee te leven valt. Benieuwd hoe het met de overdrachtsbelasting uitvalt.

Kruispost van economie.nl